Spaans

Grammatica

Hieronder volgt een overzicht van de Spaanse grammatica.

uitspraak alfabet - uitspraak - klemtoon
naamwoorden zelfstandige naamwoorden - bijvoeglijke naamwoorden - persoonlijke voornaamwoorden - aanwijzende voornaamwoorden - betrekkelijke voornaamwoorden - onbepaalde voornaamwoorden - bezittelijke voornaamwoorden
werkwoorden ser en estar - presente - wederkerende werkwoorden - stamklankverandering - spellingsverandering - werkwoorden als gustar - onregelmatige werkwoorden - perfecto - infinitivo - indefinido - imperfecto - gerundio - participio - futuro - imperativo
onveranderbare woorden voorzetsels - voegwoorden
zinnen ontkenning

Uitspraak

Naar bovenkant van pagina.

Het Spaans wordt over het algemeen snel en levendig gesproken in vergelijking met het Nederlands.

De uitspraak van het Spaans is af te leiden van de spelling van een woord. Er vallen over het algemeen geen klinkers of medeklinkers weg, zoals bijvoorbeeld wel gebeurt in het Frans. Hieronder worden alle letters en lettergroepen met een afwijkende uitspraak ten opzichte van het Nederlands gegeven:

letter

plaats

uitspraak

a overal [a] aa in kaas

b

begin van woord

[b] (b in beer)

 

overig

[β] de luie b

c

 

[k] (k in kaas)

 

voor e, i

[θ] (th in Engelse ‘think’)*

ch

[tʃ] = tsj

g

 

[g] g in Engelse ‘good’

 

voor e, i

[x] ch in acht

h

 

niet uitgesproken

i

 

[i] ie in niet

  voor klinker [j] j in ja

j

overal

[x] ch in acht

ll

overal

[ʎ]**

ñ

overal

[ɲ] nj in Spanje

qu

overal

[k] k in kaas

r

begin woord

[r] lange rollende r

 

overig

[ɾ] korte r

rr

 

[r] lange rollende r

u

meestal

[u] oe in hoed

  voor klinker [w]

 

qu-, gue-, gui-

niet uitgesproken

v

begin van woord

[b] (b in beer)

 

overig

[β] de luie b

w

begin van woord

[b] (b in beer)

 

overig

[β] de luie b

x   [ks]***
  begin van woord [s]

y

in woord

[ʝ] in mayo**

 

los

[i] (ie in niet)

z

overal

[θ] (th in Engelse think)*

* De c en z worden als een [s] uitgesproken in plaats van een [θ] in Latijns-Amerika en delen van Zuid-Spanje (Andalusië, Canarische eilanden).

**

*** De x in México, Texas, Oaxaca, en andere Mexicaanse woorden vervangt eigenlijk de Spaanse j, en wordt dus als zodanig uitgesproken.


 




Naamwoorden

Naar bovenkant van pagina.


Zelfstandige naamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Zelfstandige naamwoorden in het Spaans zijn mannelijk of vrouwelijk. In de regel zijn woorden die eindigen op -o mannelijk, zoals sombrero. Woorden die op -a eindigen zijn vrouwelijk, zoals fiesta. Zelfstandige naamwoorden kunnen ook andere uitgangen hebben, zoals mes (mannelijk) en calle (vrouwelijk). Dan moet je het geslacht erbij leren.

Het bepaald lidwoord el bij mannelijke woorden en la bij vrouwelijke woorden. In het Nederlands vertalen we dit met ‘de’ of ‘het’, afhankelijk van het woord. In de woordenlijst staan dus el sombrero en el mes tegenover la fiesta en la calle.

 

Meervoud los las

 

Er is ook een onbepaald lidwoord. Dit is un voor mannelijk ev., una, unos, unas

 

Uitzondering zijn vrouwelijke zelfstandige naamwoorden die met een beklemtoonde a- of ha- beginnen. Deze hebben, ten behoeve van de uitspraak, in het enkelvoud el en un in plaats van la en una. I nhet meervoud is het gewoon las en unas. Agua, hada.

a + el -> al

de + el -> del

Het onzijdige lidwoord lo wordt gebruikt bij andere woorden dan zelfstandige naamwoorden, zoals zelfstandig gebruikte bijvoegelijke naamworoden, voltooid deelwoorden, bezittelijke voornaamwoorden, etc. Voor een bijwoord versterkt het de betekenis. Het staat dus nooit voor een ZN.

lo bueno - het goede, lo nuestro - het onze, lo ocurrido - het gebeurde, lo antes posible - zo snel mogelijk

Gebruik van lw.

uitz. la mano de hand, la foto de foto, la radio de radio, la moto de motor; brommer.

el día de dag, el programa het programma, el problema he tprobleem, el poeta de dichter

mannelijk: -or, -aje, -ismo, -m(i)ento

vrouwelijk -dad, -ción, -sión, -tud en -ez.

-ista is zowel man als vrouwelijk mogelijk.

De letters zijn allemaal vrouwelijk: la eñe = de ñ.

De getallen zijn allemaal mannelijk: el tres = de drie.

Mannelijk of vrouwelijk. Verschil in grootte, vrouwelijke vorm kleiner formaat.

el bols0 - de tas, la bolsa de zak'; handtas

el cesto de mand la cesta het mandje, el jarro de kruik la jarra de karaf.

verschillen: el cuento het verhaal la cuenta de rekening, el puerto de haven la puerta de deur,

Meer over het meervoud

mv op -í of -ú, wordt met -es ipv -s.

verlies van klemtoon etc. spelling verbeteren z naar c. andere betekenis, el padre de ader los padres de vaders/de ouders.

los cubiertos het bestek

samenstelling van woorden

verklein en vergroot, andere betekenis.


Bijvoeglijke naamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Bijvoeglijke naamwoorden

 

plaats achter ZN, maar rangtelwoorden , mucho, poco, otro voor.

wegvallen uitgang bij buen, mal, primer, tercer. gran (grande)

muy + BN = erg, -ísimo/a als ook heel erg.

 

extraordinariamente = uitermate
bastante = tamelijk
un poco = een beetje
poco = matig
no muy = niet erg
muy = erg
nada = helemaal niet

 

Trappen van vg.

Tan A como B zo A als B, igual de A que B.

Más A que B Aer dan B

menos A que B minder A dan B

bueno en malo worden mejor (beter) en peor (slechter)

grande wordt mayor groter, of más grande

pequeño wordt más pequeño of menor, kleiner

más bij conctreet, onreg bij abstract en personen. meestal.

sommige woorden al vergelijking: superor, hoger, inferior, slechter, excelente, uitmuntend, precioso, prachtig, maravilloso, wonderbaarlijk, extraordinario, uitmuntend.

bij getallen más de Tiene más de noventa años. Zij is ouder dan negentig, vs. No quiero más que diez euros. Ik wil slechts tien euro.

Overtreffende trap is lw + vergrotende tramp.


Bijwoorden

Naar bovenkant van pagina.

 

VR vorm + -mente , lento -> lentamente, terrible - terriblemente

heel soms gelijk bijv. rápido/rápidamente of despacio/lentamente

bien bw van bueno

losse bijw.

pronto vroeg, snel, siempre altijd, aquí hier, así zo, op die manier

de repente plotseling, sin embargo maar, a veces soms, a menudo vaak

 

ja = sí, no - nee, también ook, tampoco ook niet

misschien: acaso, quizá, quizás, tal vez, a lo mejor

plaats

tijd

wijze

etc.

trap vgl. bien wordt mejor, goed naar beter mucho wordt más veel naa rmeer mal wordt peor slecht naar slechter, poco wordt menos weinig naar minder. más bien = eerder, beter gezegd.

lo más ... posible = zo ... mogelijk

 


Telwoorden

Naar bovenkant van pagina.

 

tener - leeftijd, vez = maal, cada = om de, elke... datum = de , eerste dag primero.

una docena een dozijn, una decena een tiental, una centenar een hondertal, un millar een duizendtal, cientos honderden, miles duizenden.

tijd, datum, telefoonnummers, adressen


Voornaamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Bijvoeglijke naamwoorden

 


Persoonlijke voornaamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Het persoonlijk voornaamwoord:

  onderwerp lijdend voorwerp meewerkend voorwerp beklemtoond
ik yo me me
jij te te ti
hij, zij, u él, ella, usted lo, la le él, ella, usted
wij nosotros, nosotras nos nos nosotros, nosotras
jullie vosotros, vosotras os os vosotros, vosotras
zij (mv.), u (mv.) ellos, ellas, ustedes los, las les ellos, ellas, ustedes

 

 

 


a personal

Wanneer het lijdend voorwerp bestaat ui teen persoon of personen, komt het voorzetsel a ervoor. Dit heet dan de a personal. Dit geldt ook bij vraagwoorden en onbepaalde voornaamwoorden die personen, zoals quién en nadie en alguien.

In de andere gevallen wordt er geen voorzetsel bij het lijdend voorwerp gebruikt.

 

Bij het werkwoord tener + lidwoord vervalt het, net als buscar en necesitar met een beroepsaanduiding.

 

dativo de interés

combinaties

para en con

De beklemtonde voormen worden ook gebruikt na andere voorzetsels dan a:

para + mí, tí, él, ella,, usted, nosotros, vosotoros, ellos, ellas, ustedes

voor mij, etc.

¿Esto es para mí? Is dit voor mij?

Bi het voorzetsel con worden aparte vormen gebruikt voor mí en ti:

conmigo, contigo

gustar en encantar

onpersoonlijke zinnen met se

 


Plaats voornaamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Wederkerende of persoonlijke voornaamwoorden kunnen in combinatie met eeninfitief voor het vervoegde werkwoord of direct achter de infinitief staan.

Me quiero ir de vacaciones./Quiero irme de vacaciones. Ik wil op vakantie gaan

Tengo que irme./Me tengo que ir. Ik moet gaan.

hetzelfde geldt bij het gerundio:

Rosita está acostándose./Rosita se está acostando. Rosita is bezig naar bed te gaan.

Lo sigo buscando. / Sigo buscándolo. Ik ga er nog verder naar zoeken.

Bij een gerundio met het voornaamword erachter moet altijd een accent gescrevn worden omdat de klemtoon van het gerundio behouden blijft: leyendo wordt leyéndolo.


Bezittelijke voornaamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Bezittelijke voornaamwoorden

  onbeklemtoond beklemtoond
ik mi mío/a
jij tu tuyo/a
hij, zij, u su suyo/a
wij nuestro/a nuestro/a
jullie vuestro/a vuestro/a
zij (mv.), u (mv.) su suyo/a

Het meervoud wordt gevormd door een s erachter te plakken. De vormen die op een -o eindigen worden verbogen.

Het beklemtoonde bezittelijke voornaamwoord (mío, tuyo, etc.) komt voor met en zonder lidoword. MEt lidwoord ebij is de betekenis : die van mij, de mijne. zonder lidwoord erbij is de betekenis: van mij.

 

Tus amigas no van al bingo, pero las mías sí. Jouw vriendinnen gaan niet naar de bingo, maar de mijne wel.

Este dinero es tuyo, Charo. Dit geld is van jou, Charo.

Het beklemtoonde bezittelijke voornaamwoord staat altijd na het zelfstandig naawmoord waar het bijhoort:

Yo no conozco a esas amigas tuyas. Ik ken die vriendinnen van jou niet.

Het onbeklemtoonde bezittelijk voornaamwoord staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord:
Noelia es mi nieta. Noelia is mijn kleindochter.

 

In bepaalde uitdrukkingen staat het beklemtoonde bezittelijk voonraamwoord direct achter het zelfstnadignaamwoord waar het bij hoort, onder andere: ¡Dios mío! Mijn God!, ¡Hijo mío! Jongen toch!, ¡Amigo mío!, Vriend!, Joh!.


Aanwijzende voornaamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Aanwijzende voornaamwoorden

hier: este/esta/estos/estas

daar: ese/esa/esos/esas

 

 

enkelvoud

meervoud

mannelijk

ese esos

vrouwelijk

esa esas

onzijdig

eso -

 

esto (dit) en eso (dat) worden alleen zelfstandig gebruikt en verwijzen naar onbepaalde zaken:

¿Qué es esto? Wat is dit?

No entiendo eso. Dat begrijp ik niet.

 

aquel


Betrekkelijke voornaamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Betrekkelijke voornaamwoorden

que (die, dat) staaat aan het begin van een betrekklijke bijzin en kan verwijzen naar personene of ziaken, in het enkelvoud of meervoud, als onderwerp of lijdend voorwerp in de hoofdzin.

Rosita es una chica que siempre está dispuesta a ayudar Rosita is een meisje dat altijd bereid is om te helpen.

Tenemos un vino del Penedés que está muy bueno. We hebben een Penedés-wijn die heel lekker is.

el/la/los/las que (diegene die, datgene dat) bestaan uit een bepaald lidwoord en het betrekkelijk voornaamwoord. Het pelaald lidoworord verwijst verwijst naar eerder gneoemd eperosnen of zaken. Er kan ook een voorzetsel voor staan.

¡Por fin vamos a ver las pirámides de las que tanto nos ha hablado Rosita! Eindelijk gaan we de piramides zien waar Rosita ons zoveel over verteld heeft!

De combinatie lo que betekent (dat) wat. ¿Sabes lo que pasa? Weet je wat er aan de hand is?


Onbepaalde voornaamwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Onbepaalde voornaamwoorden

uno - één, eentje

De vrouwelijke vorm is una en de mv vormen unos en unas.

meervoud betekenen een paar, enkele.


Werkwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Er zijn verschillende werkwoordstijden in het Spaans:

vervoegde vormen:

  • presente
  • perfecto
  • imperfecto
  • indefinido
  • futuro
  • condicional
  • subjunctivo
  • imperativo
  • pluscuamperfecto

onvervoegde vormen:

  • infinitivo
  • participio
  • gerundio

Ser en estar

Naar bovenkant van pagina.

Het Spaans kent twee werkwoorden met als vertaling 'zijn': ser en estar . Ondanks dat de vertaling hetzelfde is, worden deze twee werkwoorden in het Spaans op verschillende manieren gebruikt.

Vervoeging ser

ser
yo soy
eres
él/ella/usted es
nosotros/nosotras somos
vosotros/vosotras sois
ellos/ellas/ustedes son
Vervoeging estar

estar
yo estoy
estás
él/ella/usted está
nosotros/nosotras estamos
vosotros/vosotras estáis
ellos/ellas/ustedes están

Gebruik
Het werkwoord ser wordt gebruikt bij blijvende kenmerken (definiëren, identificeren, classificeren), zoals:
  • namen: Soy Noelia
  • nationaliteiten: ¿Eres mexicana?
  • beroepen: Soy jefe de ventas.
  • eigenschappen: Chema es muy inteligente.
  • feiten: La Havana es la capital de Cuba.
  • tijd: Ahora es la una
  • oorsprong: Mi anillo es de oro
  • relaties: Juana es mi jefe
  • etc.
Het werkwoord estar wordt gebruikt bij voorbijgaande toestanden, zoals:
  • uiterlijk:
  • gevoelens:
  • emoties: Estoy triste
  • gedachten:
  • fysieke/mentale staat: Estoy cansado
  • beoordeling van eten of dranken: ¿Está bueno el café?
  • plaats van mensen of dingen: El baño está a la derecha de la sala
  • etc.

Presente

Naar bovenkant van pagina.

De werkwoordstam bestaat uit de infinitief (hele werkwoord) zonder de uitgang -ar. Daarachter komen de uitgangen voor de persoonsvormen. Alle werkwoorden van deze groep hebben dezelfde uitgangen voor de persoonsvormen.

  • hablar ('praten, spreken') zijn regelmatige werkwoorden op -ar. Alle werkwoorden van deze groep hebben de uitgangen na de stam. De stam is het werkwoord zonder -ar, dus habl-.
  • vivir ('leven; wonen')
  • hablar
Vervoeging hablar

hablar
yo hablo
hablas
él/ella/usted habla
nosotros/nosotras hablamos
vosotros/vosotras habláis
ellos/ellas/ustedes hablan

Werkwoorden die gaan als hablar:

ayudar – helpen
amar – houden van
bailar – dansen
buschar – zoeken
cantar – zingen
cenar – ‘s avonds eten
cocinar – koken
comprar – kopen
dejar – laten, achterlaten, overlaten (voor/aan), uitlenen
desear – wensen, graag willen
enseñar – uitleggen, leren (aan)
entrar – naar binnen gaan
escuchar – luisteren (naar)
esperar – wachten (op)
estudiar – studeren
enviar – sturen, verzenden
ganar – verdienen, winnen
hablar – praten, spreken
llevar – dragen (kleding, haarstijl, etc.)
llevarse – met elkaar opschieten
mirar – kijken (naar)
necesitar – nodig hebben
pagar – betalen
preguntar – vragen
preparer – voorbereiden
regresar – teruggaan, terugkomen
saludar – groeten
tocar – betreffen, aanraken
tomar – nemen (te drinken of te eten)
trabajar – werken
viajar – reizen
visitar – bezoeken, bezichtigen

alquilar – to rent
olvidar – to forget
andar – to walk
practicar – to practice
firmar – to sign
caminar – to walk
gastar – to spend money
lavar – to wash
contestar – to answer
llegar – to arrive
mandar – to order

Het werkwoord comer ('eten') hoort tot de groep regelmatige werkwoorden op -er.

Vervoeging comer

comer
yo como
comes
él/ella/usted come
nosotros/nosotras comemos
vosotros/vosotras coméis
ellos/ellas/ustedes comen

Andere werkwoorden die als comer gaan zijn:

aprender - leren
beber - drinken
comer - eten
creer - geloven, denken
leer - lezen

poseer – to possess, to own
deber – to have to, to owe
prometer – to promise
esconder – to hide
romper – to break
comprender – to understand
temer – to fear
correr – to run
meter en – to put into
vender – to sell

Er zijn ook regelmatige werkwoorden op -ir, zoals vivir (leven; wonen).

Vervoeging vivir

vivir
yo vivo
vives
él/ella/usted vive
nosotros/nosotras vivimos
vosotros/vosotras vivís
ellos/ellas/ustedes viven

Andere werkwoorden die als vivir gaan zijn:

abrir – openen
cubrir – bedekken
decidir – besluiten, beslissen
escribir – schrijven
recibir – ontvangen, krijgen
vivir – leven; wonen

descubrir – to discover
permitir – to permit
admitir – to admit
discutir – to discuss
asistir a – to attend
subir – to climb, to go up
existir – to exist
sufrir – to suffer
omitir – to omit
unir – to unite
describir – to describe
partir – to divide


Wederkerende werkwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Wederkerende werkwoorden zijn te herkennen aan het wederkerende voornaamwoord -se achter de infinitivo. Een voorbeeld is llamarse ('heten'). De wederkerende werkwoorden hebben een passend wederkerend voornaamwoord bij de vervoegingen, voor de rest zijn de vervoegingen gelijk aan die van niet-wederkerende werkwoorden.


llamarse
yo me llamo
te llamas
él/ella/usted se llama
nosotros/nosotras nos llamamos
vosotros/vosotras os llamáis
ellos/ellas/ustedes se llaman

Zoals hierboven te zien, zijn de vormen van het wederkerend voornaamwoord dus me, te, se, nos, os, se.

Werkwoorden kunnen in het Spaans wél wederkerend zijn, maar in het Nederlands niet. Bijvoorbeeldllamarse ('heten') en levantarse ('opstaan').

Werkwoorden kunnen als ze wederkerend zijn een andere betekenis krijgen:

aburrir – to bore
aburrirse – to be bored

acordar – to agree
acordarse de – to remember

acostar – to put to bed
acostarse – to go to bed

casar – to perform a marriage ceremony
casarse con – to become married to someone

despedir – to fire
despedirse de – to say goodbye

dormir – to sleep
dormirse – to fall asleep

ir – to go
irse – to go away, to leave

morir – to die (abruptly, as of an accident, war, etc.)
morirse – to die (as from natural causes; also “to die” figuratively)

negar – to deny
negarse a – to refuse

parecer – to seem
parecerse a – to resemble

poner – to put
ponerse – to put on

probar – to try, to taste
probarse – to try on

quitar – to take away
quitarse – to take off


Stamklankverandering

Naar bovenkant van pagina.

Bij sommige werkwoorden verandert de stamklinker als de klemtoon hierop komt te vallen. Deze werkwoorden worden verder als regelmatige werkwoorden vervoegd.

In de wij-vorm en jullie-vorm is er geen sprake van veranderingen in de stamklinker, omdat de klemtoon daar altijd op de werkwoorduitgang valt.

Er zijn drie types: o/ue, e/ie en e/i.

o/ue

Bij het type o/ue verandert de -o- in de stam naar -ue-. Een voorbeeld hiervan is poder ('kunnen; mogen').


poder
yo puedo
puedes
él/ella/usted puede
nosotros/nosotras podemos
vosotros/vosotras podéis
ellos/ellas/ustedes pueden

Andere werkwoorden die zo gaan zijn:

acostarse – naar bed gaan
almorzar – 's middags eten
dormir - slapen
doler – pijn doen
poder - kunnen; mogen

mover, contar, morir, aprobar, mostar, colgar, probar, costar, recordar, devolver, resolver, volver, rogar, sonar, encontrar, soñar (con) , envolver, tostar, morder, volar

e/ie

Bij het type e/ie verandert de -e- in de stam naar -ie-. Een voorbeeld hiervan is entender ....


entender
yo entiendo
entiendes
él/ella/usted entiende
nosotros/nosotras entendemos
vosotros/vosotras entendéis
ellos/ellas/ustedes entienden

Andere werkwoorden die zo gaan:

querer - willen
preferir - liever hebben, doen
entender -
empezar - beginnen
pensar (en) - denken (aan)
sentirse - zich voelen

acertar, encender, advertir, cerrar, fregar, comenzar, hervir, confesar, mentir, consentir, negar, convertir, defender, perder

 

e/i

Bij het type e/i verandert de -e- in de stam naar -i-. Een voorbeeld hiervan is repetir 'herhalen'.


repetir
yo repito
repites
él/ella/usted repite
nosotros/nosotras repetimos
vosotros/vosotras repetís
ellos/ellas/ustedes repiten

Andere werkwoorden die zo gaan:

seguir - volgen; doorgaan (met)
conseguir - bereiken, erin slagen (om)
elegir - kiezen, uitkiezen
freír - bakken, frituren
pedir - bestellen
repetir - herhalen
servir - bedienen; opdienen
vestir - kleden

competir, impedir, colegir, competir, medir, corrigir, persequir, reír, despedir, gemir, sonreír


Spellingsverandering

Naar bovenkant van pagina.

Er zijn vier Spaanse klanken die afhankelijk van de erop volgende klinker met een andere letter(combinatie) aangegeven worden. Hiermee moet rekening worden gehouden als de werkwoorden vervoegd worden, omdat de oorspronkelijke klank van de stam bewaard moet blijven.

klank

voor e, i

voor a, o, u

[k] (k in kaas)

qu**

c

[θ] (th in Engelse think)*

c

z

[g] g in Engelse ‘good’

gu**

g

[x] ch in acht

g

j

* In Latijns-Amerika en delen van Zuid-Spanje (Andalusië, Canarische eilanden) worden de c en z niet als [θ] uitgesproken, maar als [s].
** De u wordt hier niet uitgesproken.

Bij de vervoegingen van deze werkwoorden moeten dus de nodige aanpassingen aan de spelling gemaakt worden om de uitspraak te behouden. We kunnen twee groepen onderscheiden: werkwoorden op -ar en werkwoorden op -er en -ir.

Voor de werkwoorden op -ar zijn er een aantal subgroepen: -car, -zar, -gar en -jar.

 

Voor de werkwoorden op -er en -ir zijn er een aantal subgroepen:

-cer, -cir wordt de c een z bijv convencer wordt convenzo

-guir wordt de gu een g bijv seguir wordt sigo

-ger en -gir wordt de g een j bijv coger wordt cojo

-quir wordt de qu een c bijv delinquir wordt delinco

werkwoordne op uir maar niet guir worden uyo, uye en uya

sommige werkwoorden op iar en bijna alle op uar krijgen een accent behalve in de wij en jullie vorm, bijv acentuar wordt acentúo, etc.

 

Een tweede groep zijn de woorden met twee opeenvolgende klinkers die een y krijgen in plaats van een onbeklemtoonde i als daarna een klinker volgt. Hier is in de presente echter geen sprake van.


Werkwoorden als gustar

Naar bovenkant van pagina.

In het Spaans is er een bijzondere constructie voor werkwoorden die een mening weergeven.

Een voorbeeld hiervan is het werkwoord gustar


gustar
yo me gusta(n)
te gusta(n)
él/ella/usted le gusta(n)
nosotros/nosotras nos gusta(n)
vosotros/vosotras os gusta(n)
ellos/ellas/ustedes les gusta(n)

Andere werkwoorden die zo gaan:

encantar - dol zijn op (heel erg bevallen)
faltar -
gustar - houden van, mooi/leuk/lekker vinden (bevallen)
parecer -


aburrir, fascinar, bastar, importar, caer bien/mal, interesar, dar asco, molestar, disgustar, doler (o/ue), picar, quedar, volver (o/ue) loco

Onregelmatige werkwoorden

Naar bovenkant van pagina.

Sommige werkwoorden hebben alleen in de ik-vorm een onregelmatige vorm.

werkwoord ik-vorm vertaling
caber quepo passen
caer caigo vallen
conducir conduzco besturen
conocer conozco kennen, leren kennen
dar doy geven
hacer hago doen; maken
parecer parezco gelijken
poner pongo leggen, neerzetten, voorzetten
saber weten; (iets) kunnen
salir salgo uitgaan; vertrekken
traer traego meebrengen, halen
valer valgo waard zijn
ver veo zien

Ook samengestelde vormen zoals

aparecer verschijnen, componer samenstellen, contraer samentrekken, desaparecer verdwijnen, desconocer niet kennen, disponer beschikken, distraer verstrooien, exponer uiteenzetten, tentoonstellen, imponer opleggen, proponer voorstellen, suponer veronderstellen.

 

 

Vervoeging tener

tener
yo tengo
tienes
él/ella/usted tiene
nosotros/nosotras tenemos
vosotros/vosotras tenéis
ellos/ellas/ustedes tienen
Vervoeging venir

venir
yo vengo
vienes
él/ella/usted viene
nosotros/nosotras venimos
vosotros/vosotras venís
ellos/ellas/ustedes vienen
Vervoeging oír

oír
yo oigo
oyes
él/ella/usted oye
nosotros/nosotras oímos
vosotros/vosotras oís
ellos/ellas/ustedes oyen
Vervoeging ir

ir
yo voy
vas
él/ella/usted va
nosotros/nosotras vamos
vosotros/vosotras vais
ellos/ellas/ustedes van
Vervoeging decir

decir
yo digo
dices
él/ella/usted dice
nosotros/nosotras decimos
vosotros/vosotras decís
ellos/ellas/ustedes dicen

deducir afleiden,

contener bevatten, convenir overeenkomen, detener tegenhouden, mantener handhaven, onderhouden, obtener verkrijgen,

Perfecto

Naar bovenkant van pagina.

De perfecto (voltooid tegenwoordige tijd) bestaat uit de tegenwoordige tijd van haber (hebben) en het voltooid deelwoord:

¿Habéis visto esta película? — Hebben jullie deze film gezien?
Sí, ya la hemos visto. — Ja, we hebben hem al gezien.

Het hulpwerkwoorden het voltooid deelwoord staan altijd direct naast elkaar. Persoonlijke voornaamwoorden staan er driect voor. In ontkennende zinnen staat no nog weer daarvoor.

No, no la he visto. — Nee, ik heb hem niet gezien.


haber
yo ho
has
él/ella/usted he
nosotros/nosotras hemos
vosotros/vosotras habéis
ellos/ellas/ustedes han

In het Nederlands zijn er twee hulpwerkwoorden voor de voltooide tijd. Vergelijk bijvoorbeeld ik heb geslapen en ik ben opgestaan. Het werkwoord slapen heeft een voltooide tijd met 'hebben', terwijl het werkwoord opstaan een voltooide tijd met 'zijn' heeft. Het Spaans heeft echter maar één hulpwerkwoord: haber.

Het voltooid deelwoord van werkwoorden op -ar eindigt op -ado, dat van werkwoorden op -er en -ir eindigt op -ido. De uitgangen komen achter de stam.

hablar → hablado
comer → comido
vivir → vivido

Onregelmatig:
abrir → abierto (geopend)
decir → dicho (gezegd)
escribir → escrito (geschreven)
hacer → hecho (gedaan; gemaakt)
poner → puesto (gezet, gelegd)
ver → visto (gezien)
volver → vuelto (teruggegaan, teruggekomen)


De perfecto wordt gebruikt voor gebeurtenissen in het verleden die voor de spreker in verband staan met het heden. Vaak staan er ook tijdsaanduidingen in de zin die horen bij een periode die nog niet afgelopen is:
Este año dit jaar,
este mes deze maand,
esta semana deze week,
hoy vandaag
¿Has ido al cine esta semana? Ben je deze week naar de film gewees>
Sí, he ido hoy y he visto una película muy Buena. JA ik ben vandaag gegaan en ik heb een heel goede film gezien.

tot en met nu ook:

alguna vez (ooit, eens), todavía no (nog niet), muchas veces (vaak), nunca (nooit)

¿Has estado alguna vez en Madrid? Ben je al eens in Madrid geweest?

No hemos ido nunca a Valencia. We zijn nog nooit naar Valencia geweest.

 

 

 


Infinitivo

Naar bovenkant van pagina.

De infinitivo (hele werkwoord) komt in verschillende constructies voor.

perífrasis verbales

acabar de + infinitivo

abacar de + infinitivo geeft aan dat iets zojuist heeft plaatsgevonden,

 

ir a + infinitivo

met ir + a + infinitief wordt aangegeven wat er binnenkort gebeeurt, wat men van plan is
Mañana voy a viajar a París. Morgen ga ik naar Parijs.

  • ir a + infinitivo
    geeft een toekomende tijd aan, die niet wordt uitgedrukt met een futuro

 

verplichting

tener que + infinitivo moeten

hay que + infinitivo

  • deber + infinitivo
    moeten doen (in morele zin)
  • haber de + infinitivo
    geeft verplichting aan
  • hay que (haber que) + infinitivo
    komt alleen maar voor in de onpersoonlijke vorm hay en de daarop aansluitende verleden tijd, toekomende tijd etc.
Hay que trabajar, ¿no? Er moet gewerkt worden, nietwaar?

  • tener que + infinitivo
    iets moeten doen in de meest algemene zin

 

 

 

volver a + inf


 

  • darle por + infinitivo
    iets bij ingeving doen zonder beredenering
  • deber de + infinitivo
    een veronderstelling dat iets zo zal zijn
  • dejar de + infinitivo
    met een gewoonte ophouden
  • echar a + infinitivo
    plotseling of gedecideerd een actie ondernemen (vooral gecombineerd met infinitivos zoals andar, correr, volar, nadar, llorar, reirse, temblar)
  • llegar a + infinitivo
    na een bepaalde tijd (soms: met moeite) iets bereiken of voor elkaar krijgen
  • parar de + infinitivo
    ophouden met iets of het ophouden van een activiteit
  • pasar a + infinitivo
    overgaan van het één op het ander

  • ponerse a + infinitivo
    zich aanzetten tot een handeling
  • quedar en + infinitivo
    een overeenkomst bereiken over een handeling tussen twee of meer personen
  • romper a + infinitivo
    plotseling losbarsten in een actie, zoals bijv. huilen of lachen
  • venir a + infinitivo
    geeft aan dat iets ongeveer het geval is
  • volver a + infinitivo
    opnieuw iets doen, a.h.w. terugkeren tot dezelfde handeling

 

 

ir a + infinitivo

wensen of plannen

querer (willen) + inf.

Quiero irme de vacaciones a Benidorm. Ik wil op vakantie naar Benidorm.

tener ganas de (zin hebben om) + inf.

Tenemos ganas de pasear por la playa. We hebben zin om over het strand te wandelen.

 

voornemen of plan

pensar + inf.

Pienso ahorrar un poquito. Ik ben van plan een beetje te sparen.

 

 





Indefinido

Naar bovenkant van pagina.

Regelmatige werkwoorden


hablar comer vivir
yo hablé comí viví
hablaste comiste viviste
él/ella/usted habló com viv
nosotros/nosotras hablamos comimos vivimos
vosotros/vosotras hablasteis comisteis vivisteis
ellos/ellas/ustedes hablaron comieron vivieron

Dus

 

De werkwoorden ser en ir hebben dezelfde vormen voor de indefinido.


ser/ir estar
yo fui estuve
fuiste estuviste
él/ella/usted fue estuvo
nosotros/nosotras fuimos estuvimos
vosotros/vosotras fuisteis estuvisteis
ellos/ellas/ustedes fueron estuvieron

Andere onregelmatige werkwoorden: tener, saber, poder, poner, querer, venir, hacer, decir, traer.

De indefinido van hay is hubo.

 

c, z, g wordt qu, c of gu voor -é van ik-vorm.

 

Gebruik

De indefinido wordt gebruikt bij het aangeven vna gebeurtenissen die (voor de spreker of schrijver) geen verband houden met het heden. De indefinido wordt vaak gebruikt met tijdsaanduidingen die ene speciiek moment ien het verledne aangeven, zoals:

el otro día (pas geleden, onlangs),, ayer (gisteren), la mesamna pasada (vorige week), el mes pasado, el año pasado, en 2003,

 

De indefinido wordt in plaats van de perfecto gebruikt in sommige delen van Spanje en in de meeste landen van Latijns-Amerika.

 


Imperfecto

Naar bovenkant van pagina.

De imperfecto is een verleden tijd die vaak voorkomt.

 

Regelmatige werkwoorden


hablar comer vivir
yo hablaba comía vivía
hablabas comías vivías
él/ella/usted hablaba comía vivía
nosotros/nosotras hablábamos comíamos vivíamos
vosotros/vosotras hablabais comíais vivíais
ellos/ellas/ustedes hablaban comían vivían

Dus

 

vormen voor de imperfecto.


ser
yo era
eras
él/ella/usted era
nosotros/nosotras éramos
vosotros/vosotras erais
ellos/ellas/ustedes eran

Andere onregelmatige werkwoorden: ir, ver

De imperfecto van hay is había.

Gebruik

De imperfecto wordt gebruikt voor:

gevoelens in het verleden ¡Estábamos preocupadísimas! We waren heel erg bezorgd!

eigenschappen van zaken in het verlenden

El restaurante era precioso Het restaurant was ontzettend leuk

kenmerken van personen in het verledne

Tenía los ojos azules Hij/Zij had blauwe ogen.

een situatie in het verleden

Hacía mucho calor HEt was heel warm

gewoontes of herhaalde handelingen of gebeurtenissen in het verleden

Cuando tenía tu edad, iba a bailar a las verbenas.

Toen ik jouw leeftijd had, ging ik (vaak/altijd) dansen op dorpsfeesten.

de achtergrondsituatie bij gebeurtenissen die zich voordedne in het verlednen (voor het aangevn avan de gebeurtenissen zelf wordt de indeifnido of perfecto gebruikt.

 

tijdaanduidingen zoals entonces (toen), de repente (plotseling), de pronto (ineens), enseguida (direct, even later), un día (op een dag).

 

 

 

 


Gerundio

Naar bovenkant van pagina.

De gerundio is

 

hablar hablando

comer comiendo

vivir viviendo

 

e/i pedir pidiendo

o/u dormir durmiendo

leer leyendo

ir yendo

 

  • acabar + gerundio
    geeft het einde van een proces aan
  • andar + gerundio
    drukt een voortdurende of aanhoudende bezigheid uit
  • estar + gerundio
    bezig zijn met, in het Nederlands vaak uitgedrukt met ‘aan het …’
  • ir + gerundio
    geeft een bezigheid aan die voortduurt of in ontwikkeling is
  • llevar + gerundio
    (met tijdsaanduiding) deze wijze komt overeen met ‘hace … que …’ en drukt een periode uit dat iets voortduurt
  • quedarse + gerundio
    iets blijven doen
  • salir + gerundio
    geeft een resultaat aan, uit de bus komen
  • seguir + gerundio
    drukt continuiteit uit
  • venir + gerundio
    volhouden met iets te doen


Participio

Naar bovenkant van pagina.

De participio is

 


Futuro

Naar bovenkant van pagina.

De futuro is

wordt gebruikt om gebeurtenissen in de toekomst aan te geven, (verder dan vandaag) wonder or probability ¿Quién será ella?

wordt gevormd met het infinitief met de uitgangen: -é, -ás, -á, -emos, -éis, -án

Regelmatige werkwoorden


hablar comer vivir
yo hablaré comía vivía
hablarás comías vivías
él/ella/usted hablará comía vivía
nosotros/nosotras hablaremos comíamos vivíamos
vosotros/vosotras hablaréis comíais vivíais
ellos/ellas/ustedes hablarán comían vivían

Dus

 

 

 

caber

cabré

x

poner

pondré

x

decir

diré

x

haber

habré

x

salir

saldré

x

hacer

haré

x

poder

podré

x

tener

tendré

x

querer

querré

x

valer

valdré

x

saber

sabré

x

venir

vendré

x

 

 

 


Condicional

Naar bovenkant van pagina.

Regelmatige werkwoorden


hablar comer vivir
yo hablaría comería viviría
t� hablarías comerías vivirías
él/ella/usted hablaría comería viviría
nosotros/nosotras hablaríamos comeríamos viviríamos
vosotros/vosotras hablaríais comeríais viviríais
ellos/ellas/ustedes hablarían comerían vivirían

Dus

 

http://studyspanish.com/grammar/lessons/conditional

Indicativo aantonende wijs

Condicional voorwaardelijke wijs
Si yo fuera rico, conduciría un deportivo.

-ía, -ías, -ía, -íamos, -íais, -ían achter de infinitief plakken.

 

probability, possibllity, wonder or conjecture,

transl would, could must have or probably

 

Dezelfde werkwoorden die in de futuro onregelmatig zijn, zijn dit ook in de condicional.

 

in het verleden vs futuro meer heden


Subjuntivo

Naar bovenkant van pagina.

Regelmatige werkwoorden

 

https://www.duolingo.com/comment/8828180/Spanish-Subjunctive-Guide

Car qu
Zar c
Ger/gir j
Gar gu

 

Aanvoegende wijs

n Part I, you learned that the subjunctive mood is used whenever the speaker feels any uncertainty about the action of the sentence, or when the speaker is expressing a subjective opinion.
In this lesson you will begin to learn how to conjugate verbs in the present subjunctive.
For most verbs, the present subjunctive is formed by following these three steps:

  1. Start with the yo form of the present indicative.
  2. Then drop the -o ending.
  3. Finally, add the following endings:

-ar verbs:
-e, -es, -e, -emos, -éis, -en

-er and -ir verbs:
-a, -as, -a, -amos, -áis, -an

 


hablar comer vivir
yo hable coma viva
hables comas vivas
él/ella/usted hable coma viva
nosotros/nosotras hablemos comamos vivamos
vosotros/vosotras habléis comáis viváis
ellos/ellas/ustedes hablen coman vivan

Deze techniek werkt ook voor werkwoorden die een onregelmatige ik-vorm hebben, zoals tener (tengo). Hiervan is de subjuntivo gelijk aan tenga, tengas, tenga, etc.

diftongerende werkwoorden

spelling

 

 

 

Here are the six verbs that are irregular in the present subjunctive:
dar – to give

des

demos
deis
den

estar – to be
esté
estés
esté
estemos
estéis
estén

haber – to have (auxiliary verb)
haya
hayas
haya
hayamos
hayáis
hayan

ir – to go
vaya
vayas
vaya
vayamos
vayáis
vayan

saber – to know
sepa
sepas
sepa
sepamos
sepáis
sepan

ser – to be
sea
seas
sea
seamos
seáis
sean

http://studyspanish.com/grammar/lessons/subj1

 


Imperativo

Naar bovenkant van pagina.

De imperativo is

stam van subjuntivo, met -e voor ev en -en voor mv.

-a voor Ud. en -an voor Uds.

 

Venga conmigo Kom met mij mee

dar
dé Ud.
den Uds.

estar
esté Ud.
estén Uds.

ir
vaya Ud.
vayan Uds.

ser
sea Ud.
sean Uds.

saber
sepa Ud.
sepan Uds.

afirmado en negando

voor jou vorm: 3e ev. pres.

negando: jij vorm pres. subj.

Habla más lentamente.
Speak more slowly.

No hables más lentamente.
Don’t speak more slowly.

decir
di
salir
sal
hacer
haz
ser
ir
ve
tener
ten
poner
pon
venir
ven

 

 


Lastige vertalingen

Naar bovenkant van pagina.

Sommige werkwoorden zijn lastig vanuit het Nederlands naar het Spaans te vertalen. We zijn al een voorbeeld tegengekomen, namelijk het werkwoord 'zijn', dat afhankelijk van de betekenis met ser of estar vertaald kan worden.

Hieronder een overzicht:

  • zijn: ser en estar
  • moeten
  • kunnen
  • saber vs conocer
  • pedir vs preguntar

Onveranderbare woorden

Naar bovenkant van pagina.

Onveranderbare woorden

 


Voorzetsels

Naar bovenkant van pagina.

 

 

 

hace + periode: ... geleden

desde + tijdstip: vanaf/sinds ...

deste hace + periode: al ... lang

 

 

a

plaats of richitng

de specifieke hoeveelheden, kloktijden en dagdeel

en

vervoersmiddel (per, met)

para doel

para + inf. om te

por (door, vanwege) ook dagdelen

 

 


Voegwoorden

Naar bovenkant van pagina.

¿Minutos u horas? Minuten of uren?

 


Zinnen

Naar bovenkant van pagina.

Zinnen


Ontkenning

Naar bovenkant van pagina.

In een ontkennende zin staat in het Spaans altijd no (‘niet’) vóór de persoonsvorm.

Dubbele ontkenning

¿No quieres tomar nada? — Wil je niets eten of drinken?
No … nada is een voorbeeld van een dubbele ontkenning, waarbij no voor de persoonsvorm staat en het tweede deel (nada) achter de persoonsvorm.

De meest gebruikte dubbele ontkenningen zijn:
no … nada — niets
no … nadie — niemand
no … nunca — nooit (No he estado nunca en México.)
no … ningún/ninguno/ninguna — geen enkel(e)
no … ni … ni —noch … noch (No tomo ni café ni té.)