Spaans

Woordjes Uitgebreid

Hieronder staan de teach files van de woordenlijst:

(Teach2000 is te downloaden vanaf http://www.teach.nl/download.php.)


Woordenlijst

ABCDEFGHIJKLMNÑOPQRSTUVWXYZ

 

 

 

 

 

 

Spaans woordenlijst

 

Spaans Nederlands
¡Ojo! Let op!
¡Qué dices! Wat maak je me nou!
¡Qué va! Welnee!
a base de op basis van
a continuación daarna
a la plancha gegrild
a la romana gepaneerd
a menudo vaak
a partir de vanaf
a peso op gewicht
abarcar omvatten
abarrotar volproppen
acercarse benaderen
aclararse ophelderen
acompañamiento het bijgerecht
acondicionar klaarmaken, inrichten
aconsejable aan te raden
adobar marineren
afirmativo/a bevestigend
ajá aha
al final de aan het eind van
al granel onverpakt
al principio aanvankelijk, in het begin
al vapor gestoomd
alimentario voedings-
alzarse opstijgen
andino/a uit de Andes
animadamente geanimeerd
apasionado/a gepassioneerd
apuntarse zich opgeven
artesanal ambachtelijk
avanzado/a gevorderd, geavanceerd
aventurero/a avontuurlijk
beis beige
bien comunicado/a goed bereikbaar
blandito/a zacht
boca abajo voorover; op de buik
bohemio/a alternatief
bordear omranden
bruto/a lomp
cabelludo/a behaard
cambiarse de ropa zich omkleden
chau doei
cinestético/a kinesthetisch
clavar vastzetten
codificado/a waarin vaste etiquetteregels bestaan
combatir bestrijden
comunitario/a gemeenschappelijk
con la mano uit het vuistje
conceder (op)geven
concordar con overeenkomen met
concurrir meedoen, meedraaien
conjugar vervoegen
contemporáneo/a hedendaags, modern
contraponer tegenspreken
convertirse en veranderen in
críar fokken
crujiente knapperig
cuidar verzorgen, zorgen voor
dar importancia a belang hechten aan
darse cuenta de zich bewust zijn van
de hecho in feite
de lado op de zij
de nuevo opnieuw
de pie te voet, staand
del tiempo op kamertemperatuur
descansado/a ontspannen, uitgerust
desde que sinds dat
desmaquillarse make-up verwijderen
determinante bepalend
dirigirse zich begeven
dirigirse a zich richten op
disculpe pardon
echar de menos missen
echar la siesta siësta houden
educado/a beleefd
el compi de huisgenoot
el acontecimiento de gebeurtenis
el agricultor de landbouwer
el ají de chilipeper
el altiplano de hoogvlakte
el arte plástica de beeldende kunst
el ave de vogel
el azafato de steward
el bajo de basgitaar
  1. el balneario
  1. het kuuroord
  1. el balsero
  1. de bootvluchteling
  1. el béisbol
  1. het honkbal
  1. el berberecho
  1. de kokkel
  1. el besote
  1. de dikke kus
  1. el bizcocho
  1. de biscuit
  1. el bloqueo
  1. de blokkade
  1. el buey
  1. de os
  1. el café solo
  1. de zwarte koffie
  1. el cante
  1. de zang
  1. el canto
  1. de zang
  1. el casco antiguo
  1. het historisch centrum
  1. el comerciante
  1. de handelaar
  1. el cómic
  1. het stripverhaal
  1. el complemento
  1. de accessoire
  1. el compositor
  1. de componist
  1. el condimento
  1. de smaakmaker
  1. el consumidor
  1. de consument
  1. el contenedor de basura
  1. de afvalcontainer
  1. el Creador
  1. de Schepper
  1. el cuestionario
  1. de enquête
  1. el currículum
  1. het cv
  1. el deporte de aventura
  1. de extreme sport
  1. el diente de ajo
  1. het knoflookteentje
  1. el directivo
  1. de leidinggevende
  1. el diseñador gráfico
  1. de grafisch ontwerper
  1. el dormilón
  1. de slaapkop
el dulce het snoepje
el enfrentamiento de confrontatie
el ensueño de fantasie
el entretenimiento het vermaak
el entrevistado de geinterviewde
el escultor de beeldenaar
el establecimiento het etablissement
el estado de ánimo de gemoedstoestand
el estilo de vida de levensstijl
el exiliado de banneling
el exilio het ballingschap
el fluidez de vloeiendheid
el fundador de oprichter
el golpe de Estado de staatsgreep
el hecho het feit
el hidrato de carbono de koolhydraat
el hidroavión het watervlieguit, blusvliegtuig
el hito de mijlpaal
  1. el hostelero
  1. de hotelhouder
  1. el incendio forestal
  1. de bosbrand
  1. el inicio
  1. het begin
  1. el interiorismo
  1. het interieur design
  1. el inversor
  1. de investeerder
  1. el jarrón
  1. de vaas
  1. el júbilo
  1. de vreugde
  1. el largometraje
  1. de langspeelfilm
  1. el lavadero
  1. de wasruimte
  1. el mantenimiento
  1. het onderhouden
  1. el medio
  1. het medium
  1. el medio ambiente
  1. het milieu
  1. el medioambiente
  1. het milieu
  1. el mercadillo
  1. de rommelmarkt
  1. el mercado laboral
  1. de arbeidsmarkt
  1. el metro cuadrado
  1. de vierkante meter
  1. el mimbre
  1. het rotan
  1. el mundial
  1. de wereldkampioenschappen
  1. el mural
  1. de muurschildering
  1. el nativo
  1. de moedertaalspreker
  1. el níspero
  1. de mispel
  1. el nivel adquisitivo
  1. de koopkracht
  1. el núcleo
  1. de kern
  1. el oso pardo
  1. de bruine beer
  1. el oyente
  1. de luisteraar
  1. el poblado
  1. de nederzetting
  1. el portaequipajes
  1. het bagagerek
  1. el presente
  1. de tegenwoordige tijd
  1. el preso
  1. de gevangene
  1. el primero
  1. het voorgerecht
  1. el protector solar
  1. de zonnebrandcrème
  1. el proteína
  1. het eiwit
  1. el quilo
  1. het kilo
  1. el recibidor
  1. de hal
  1. el relleno
  1. de vulling
  1. el Renacimiento
  1. de Renaissance
  1. el repartidor
  1. de bezorger
  1. el res
  1. het rund
  1. el salar
  1. de zoutvlakte
  1. el salón-comedor
  1. de woon- en eetkamer
  1. el secador de pelo
  1. de fohn
  1. el segundo
  1. de seconde; het hoofdgerecht
  1. el tirante
  1. het schouderbandje
  1. el tónico
  1. de tonic, lotion
  1. el trazo
  1. de kwaststreek
  1. el usuario
  1. de gebruiker
  1. el vegano
  1. de veganist
  1. el ventanal
  1. het grote raam
  1. el/la cotilla
  1. de roddelaar(ster)
  1. el/la dibujante
  1. de tekenaar
  1. el/la familiar
  1. het familielid
  1. el/la guardia
  1. de politieagent
  1. el/la juerguista
  1. de feestganger
  1. el/la submarinista
  1. de diepzeeduiker
  1. emblemático/a
  1. kenmerkend
  1. emocionarse
  1. geëmotioneerd raken
  1. empresarial
  1. bedrijfs-
  1. en cambio
  1. daarentegen
  1. en directo
  1. live
  1. en metálico
  1. contant
  1. en mitad de
  1. halverwege
  1. en negrita
  1. dikgedrukt
  1. en voz alta
  1. hardop
  1. enriquecedor
  1. verrijkend
  1. envasado/a
  1. verpakt
  1. equipado/a
  1. voorzien van
  1. estar de acuerdo con
  1. het eens zijn met
  1. estar de viaje
  1. op reis zijn
  1. estar sentado
  1. zitten
  1. exiliarse
  1. emigreren
  1. extremeño
  1. Extremaduraans
  1. fijarse en
  1. zich richten/focussen op; letten op
  1. fortalecer
  1. versterken
  1. guisado/a
  1. gestoofd
  1. hacer sol
  1. zonnig zijn
  1. hacer submarinismo
  1. duiken
  1. hasta que
  1. totdat
  1. imaginario/a
  1. denkbeeldig
  1. impactante
  1. indrukwekkend
  1. impuntual
  1. niet punctueel
  1. indígena
  1. inheems
  1. inmobilario
  1. onroerend goed-
  1. instantáneamente
  1. meteen, direct
  1. integral
  1. volkoren
  1. internarse
  1. binnendringen
  1. invariable
  1. onveranderlijk
  1. irregular
  1. onregelmatig
  1. justificar
  1. verantwoorden
  1. la abundancia
  1. de overvloed
  1. la afirmación
  1. de stelling
  1. la aparición
  1. de verschijning
  1. la avellana
  1. de hazelnoot
  1. la basílica
  1. de basiliek
  1. la bollería
  1. het gebak
  1. la brocheta
  1. de spies
  1. la cabalgata
  1. de optocht
  1. la canastra
  1. de mand
  1. la cápsula
  1. de pil; de capsule
  1. la carne picada
  1. het gehakt
  1. la carrera a pie
  1. het hardlopen
  1. la casa adosada
  1. het rijtjeshuis
  1. la cata de vinos
  1. de wijnproeverij
  1. la circunstancia
  1. de omstandigheid
  1. la cocina americana
  1. de open keuken
  1. la colaboración
  1. de samenwerking
  1. la Comunidad Autónoma
  1. de autonome regio
  1. la conjugación
  1. de vervoeging
  1. la conservación
  1. de bewaring
  1. la convención
  1. het congres, de conventie
  1. la convivencia
  1. het samenleven
  1. la cordillera
  1. de bergketen
  1. la corrala
  1. het blok flats
  1. la corrección
  1. de correctheid
  1. la crema solar
  1. de zonnebrandcrème
  1. la cuadrícula
  1. het vierkant
  1. la decadencia
  1. de decadentie
  1. la ecoaldea
  1. het ecodorp
  1. la embarcación
  1. de boot
  1. la enseñanza primeria
  1. het basisonderwijs
  1. la entonación
  1. de intonatie
  1. la esperanza de vida
  1. de levensverwachting
  1. la estadística
  1. de statistiek
  1. la existencia
  1. het bestaan
  1. la fatiga
  1. de vermoeidheid
  1. la fibra vegetal
  1. de plantaardige vezel
  1. la flexión
  1. het buigen, strekken
  1. la gestión
  1. het beheer
  1. la gorra
  1. de pet
  1. la gracia
  1. de aardigheid
  1. la hoja de papel
  1. het blaadje papier
  1. la impaciencia
  1. het ongeduld
  1. la imprenta
  1. de boekdrukkunst
  1. la inauguración
  1. de inzegening, initiatie
  1. la infancia
  1. de kindertijd
  1. la lámpara de pie
  1. de staande lamp
  1. la lengua materna
  1. de moedertaal
  1. la leyenda
  1. de legende
  1. la limpieza
  1. de schoonmaak
  1. la luna de miel
  1. de huwelijksreis
  1. la madurez
  1. de volwassenheid
  1. la magdalena
  1. het cakeje
  1. la maravilla
  1. het wonder
  1. la masa
  1. het deeg
  1. la mascarilla
  1. het masker
  1. la mate
  1. de Zuid-Amerikaanse thee
  1. la mesa de centro
  1. de salontafel
  1. la movilidad
  1. de mobiliteit
  1. la muestra
  1. het teken
  1. la novedad
  1. de nieuwigheid, het nieuwtje
  1. la olla
  1. de kookpot, grote pan
  1. la ortiga
  1. de brandnetel
  1. la parrilla
  1. de grill, barbecue
  1. la parrillada
  1. de barbecue
  1. la pena de muerte
  1. de doodstraf
  1. la península ibérica
  1. het Iberisch schiereiland
  1. la procesión
  1. de optocht
  1. la pronunciación
  1. de uitspraak
  1. la proposición
  1. het voorstel
  1. la revelación
  1. de onthulling
  1. la ribera
  1. de oever
  1. la ropa interior
  1. de onderkleding
  1. la sobrasada
  1. de paprikaworst
  1. la superficie lunar
  1. het maanoppervlak
  1. la tonalidad
  1. de schakering
  1. la tonelada
  1. de ton
  1. la ubicación
  1. de plaatsbepaling
  1. la URSS (Unión de Repúblicas Socialistas Soviéticas)
  1. de Sovjet-Unie
  1. la V.O. (versión original)
  1. in de originele taal
  1. la viñeta
  1. het plaatje
  1. la vocal
  1. de klinker
  1. la yerba
  1. het kruid
  1. las ciencias naturales
  1. de natuurwetenschappen
  1. las medias
  1. de panty
  1. las noticias
  1. het nieuws
  1. lavarse los dientes
  1. tandenpoetsen
  1. leal
  1. loyaal
  1. liderado/a
  1. geleid
  1. lingüístico/a
  1. taalkundig
  1. los deberes
  1. het huiswerk
  1. los demás
  1. de rest, anderen
  1. los frutos secos
  1. de noten en gedroogde vruchten
  1. machacar
  1. fijnstampen
  1. marcharse
  1. vertrekken
  1. más o menos
  1. min of meer
  1. matinal
  1. ochtend-
  1. milenario
  1. eeuwenoud
  1. minoritario/a
  1. minderheids-
  1. mítico/a
  1. mythisch
  1. montar a caballo
  1. paardrijden
  1. movilizar
  1. mobiliseren
  1. muchas veces
  1. vaak
  1. nativo/a
  1. moeder-
  1. neutro/a
  1. neutraal
  1. nevado/a
  1. besneeuwd
  1. o sea
  1. met andere woorden, oftewel
  1. obrero/a
  1. arbeiders-
  1. oculto/a
  1. verborgen
  1. oralmente
  1. mondeling
  1. originario/a
  1. afkomstig
  1. otra vez
  1. nogmaals
  1. parecerse a
  1. lijken op
  1. pasado mañana
  1. overmorgen
  1. pasado por agua
  1. zachtgekookt (ei)
  1. pasárselo + adj.
  1. het + adj. + hebben
  1. peatonal
  1. voetgangers-
  1. planificar
  1. plannen
  1. plural
  1. meervoud
  1. poblado/a
  1. bevolkt
  1. por lo menos
  1. minstens
  1. por unidad
  1. per stuk
  1. preparado/a
  1. kant-en-klaar
  1. presentarse
  1. zich voorstellen
  1. prometedor
  1. veelbelovend
  1. puntual
  1. punctueel
  1. recompensar
  1. compenseren
  1. referirse a
  1. verwijzen naar
  1. reforzar
  1. vresterken
  1. regularmente
  1. regelmatig
  1. rehabilitar
  1. opknappen
  1. reinterpretar
  1. herinterpreteren
  1. relatar
  1. vertellen, rapporteren
  1. renunciar
  1. afstand doen van
  1. repoblar
  1. herbevolken
  1. reposar
  1. rusten
  1. resecar
  1. droog maken
  1. retener
  1. onthouden, vasthouden
  1. reunirse
  1. samenkomen, bijeenkomen
  1. riquísimo/a
  1. verrukelijk
  1. rosado/a
  1. roze
  1. salir de noche
  1. uitgaan
  1. sanitario/a
  1. gezondheids-
  1. secuenciar
  1. in volgorde plaatsen
  1. servir para
  1. dienen toe
  1. sí mismo
  1. zichzelf
  1. sin embargo
  1. echter
  1. sortear
  1. verloten
  1. sostenible
  1. duurzaam
  1. supuestamente
  1. zogenaamd
  1. tal vez
  1. misschien
  1. taquillero/a
  1. succesvol
  1. tener en cuenta
  1. rekening houden
  1. tirando
  1. okay, het gaat wel
  1. toda parte
  1. overal
  1. todavía no
  1. nog niet
  1. todo el mundo
  1. iedereen
  1. todo recto
  1. rechtdoor
  1. tomar el sol
  1. zonnebaden
  1. trasladarse
  1. verhuizen
  1. tratarse de
  1. omgaan met
  1. ubicar
  1. lokaliseren
  1. unirse
  1. aansluiten
  1. urgentemente
  1. met spoed
  1. valoración
  1. de waardering
  1. vanguardista
  1. baanbrekend, revolutionair
  1. variado/a
  1. gevarieerd
  1. vestirse
  1. zich aankleden
  1. vincular (con)
  1. verbinden (met)
  1. volver a + inf.
  1. opnieuw + inf.
  1. ya no
  1. niet meer
  1. ya que
  1. want

 

choclo

haba

churrasco

fruitsoorten

perreo

cuy

 

winnkeltje

 

Nieuw 1. el fluidez de vloeiendheid 2. volver a + inf. opnieuw + inf. 3. estar de acuerdo con het eens zijn met 4. pasárselo + adj. het + adj. + hebben 5. justificar verantwoorden 6. el canto de zang 7. sin embargo echter 8. trasladarse verhuizen 9. la entonación de intonatie 10. muchas veces vaak 11. en voz alta hardop 12. el nativo de moedertaalspreker 13. lingüístico/a taalkundig 14. tener en cuenta rekening houden 15. la lengua materna de moedertaal 16. dar importancia a belang hechten aan 17. la corrección de correctheid 18. en cambio daarentegen 19. cinestético/a kinesthetisch 20. retener onthouden, vasthouden 21. el mural de muurschildering 22. el cuestionario de enquête 23. acercarse benaderen 24. el/la dibujante de tekenaar 25. relatar vertellen, rapporteren 26. el acontecimiento de gebeurtenis 27. el inicio het begin 28. el golpe de Estado de staatsgreep 29. el largometraje de langspeelfilm 30. el currículum het cv 31. avanzado/a gevorderd, geavanceerd 32. determinante bepalend 33. dirigirse zich begeven 34. dirigirse a zich richten op 35. los demás de rest, anderen 36. prometedor veelbelovend 37. la revelación de onthulling 38. taquillero/a succesvol 39. la casa adosada het rijtjeshuis 40. ubicar lokaliseren 41. inmobilario onroerend goed- 42. el recibidor de hal 43. el lavadero de wasruimte 44. el salón-comedor de woon- en eetkamer 45. equipado/a voorzien van 46. la cocina americana de open keuken 47. el nivel adquisitivo de koopkracht 48. el repartidor de bezorger 49. el interiorismo het interieur design 50. beis beige 51. la mesa de centro de salontafel 52. la fibra vegetal de plantaardige vezel 53. la lámpara de pie de staande lamp 54. el jarrón de vaas 55. ajá aha 56. el metro cuadrado de vierkante meter 57. peatonal voetgangers- 58. de hecho in feite 59. el mimbre het rotan 60. los deberes het huiswerk 61. reunirse samenkomen, bijeenkomen 62. echar la siesta siësta houden 63. convertirse en veranderen in 64. el ventanal het grote raam 65. el compositor de componist 66. exiliarse emigreren 67. marcharse vertrekken 68. rehabilitar opknappen 69. codificado/a waarin vaste etiquetteregels bestaan 70. conceder (op)geven 71. tirando okay, het gaat wel 72. por lo menos minstens 73. el azafato de steward 74. el portaequipajes het bagagerek 75. educado/a beleefd 76. urgentemente met spoed 77. darse cuenta de zich bewust zijn van 78. en metálico contant 79. la procesión de optocht 80. concurrir meedoen, meedraaien 81. abarrotar volproppen 82. planificar plannen 83. ya no niet meer 84. todavía no nog niet 85. a menudo vaak 86. en directo live 87. el ensueño de fantasie 88. el trazo de kwaststreek 89. el Renacimiento de Renaissance 90. contemporáneo/a hedendaags, modern 91. la V.O. (versión original) in de originele taal 92. matinal ochtend- 93. tomar el sol zonnebaden 94. hacer submarinismo duiken 95. el besote de dikke kus 96. pasado mañana overmorgen 97. apuntarse zich opgeven 98. vincular (con) verbinden (met) 99. el hecho het feit 100. la luna de miel de huwelijksreis 101. abarcar omvatten 102. el oso pardo de bruine beer 103. la abundancia de overvloed 104. alimentario voedings- 105. la magdalena het cakeje 106. el berberecho de kokkel 107. el níspero de mispel 108. el vegano de veganist 109. el medio ambiente het milieu 110. el proteína het eiwit 111. los frutos secos de noten en gedroogde vruchten 112. el estilo de vida de levensstijl 113. a base de op basis van 114. crujiente knapperig 115. a continuación daarna 116. aconsejable aan te raden 117. ya que want 118. a la plancha gegrild 119. la cápsula de pil; de capsule 120. el hidrato de carbono de koolhydraat 121. hasta que totdat 122. blandito/a zacht 123. el diente de ajo het knoflookteentje 124. contraponer tegenspreken 125. reforzar vresterken 126. neutro/a neutraal 127. valoración de waardering 128. extremeño Extremaduraans 129. por unidad per stuk 130. al granel onverpakt 131. envasado/a verpakt 132. a peso op gewicht 133. sostenible duurzaam 134. integral volkoren 135. parecerse a lijken op 136. clavar vastzetten 137. el bizcocho de biscuit 138. la avellana de hazelnoot 139. el deporte de aventura de extreme sport 140. las ciencias naturales de natuurwetenschappen 141. la convención het congres, de conventie 142. bordear omranden 143. el escultor de beeldenaar 144. vanguardista baanbrekend, revolutionair 145. reinterpretar herinterpreteren 146. mítico/a mythisch 147. la colaboración de samenwerking 148. la inauguración de inzegening, initiatie 149. el poblado de nederzetting 150. la maravilla het wonder 151. la gracia de aardigheid 152. variado/a gevarieerd 153. el fundador de oprichter 154. el salar de zoutvlakte 155. el altiplano de hoogvlakte 156. andino/a uit de Andes 157. la tonalidad de schakering 158. la embarcación de boot 159. la conservación de bewaring 160. milenario eeuwenoud 161. el condimento de smaakmaker 162. combatir bestrijden 163. el tónico de tonic, lotion 164. el estado de ánimo de gemoedstoestand 165. cuidar verzorgen, zorgen voor 166. desmaquillarse make-up verwijderen 167. el protector solar de zonnebrandcrème 168. regularmente regelmatig 169. resecar droog maken 170. boca abajo voorover; op de buik 171. de lado op de zij 172. fortalecer versterken 173. de pie te voet, staand 174. la impaciencia het ongeduld 175. estar sentado zitten 176. descansado/a ontspannen, uitgerust 177. la flexión het buigen, strekken 178. la ortiga de brandnetel 179. la mascarilla het masker 180. machacar fijnstampen 181. reposar rusten 182. la olla de kookpot, grote pan 183. cabelludo/a behaard 184. tratarse de omgaan met 185. el balneario het kuuroord 186. la novedad de nieuwigheid, het nieuwtje 187. originario/a afkomstig 188. minoritario/a minderheids- 189. el mantenimiento het onderhouden 190. la carrera a pie het hardlopen 191. la circunstancia de omstandigheid 192. el exilio het ballingschap 193. el preso de gevangene 194. la pena de muerte de doodstraf 195. el exiliado de banneling 196. enriquecedor verrijkend 197. el directivo de leidinggevende 198. la infancia de kindertijd 199. la madurez de volwassenheid 200. cambiarse de ropa zich omkleden 201. la aparición de verschijning 202. la imprenta de boekdrukkunst 203. la esperanza de vida de levensverwachting 204. la convivencia het samenleven 205. el entretenimiento het vermaak 206. la península ibérica het Iberisch schiereiland 207. la decadencia de decadentie 208. secuenciar in volgorde plaatsen 209. el balsero de bootvluchteling 210. el mundial de wereldkampioenschappen 211. alzarse opstijgen 212. tal vez misschien 213. la proposición het voorstel 214. el júbilo de vreugde 215. el hito de mijlpaal 216. el enfrentamiento de confrontatie 217. internarse binnendringen 218. liderado/a geleid 219. el núcleo de kern 220. el bloqueo de blokkade 221. la URSS (Unión de Repúblicas Socialistas Soviéticas) de Sovjet-Unie 222. renunciar afstand doen van 223. unirse aansluiten 224. la superficie lunar het maanoppervlak 225. ¡Qué dices! Wat maak je me nou! 226. o sea met andere woorden, oftewel 227. supuestamente zogenaamd 228. oculto/a verborgen 229. animadamente geanimeerd 230. en mitad de halverwege 231. la leyenda de legende 232. el incendio forestal de bosbrand 233. movilizar mobiliseren 234. el hidroavión het watervlieguit, blusvliegtuig 235. el/la submarinista de diepzeeduiker 236. aclararse ophelderen 237. el/la guardia de politieagent 238. emocionarse geëmotioneerd raken 239. impactante indrukwekkend 240. oralmente mondeling 241. indígena inheems 242. el Creador de Schepper 243. el ave de vogel 244. a partir de vanaf 245. imaginario/a denkbeeldig 246. la yerba het kruid 247. la mate de Zuid-Amerikaanse thee 248. rosado/a roze 249. instantáneamente meteen, direct 250. recompensar compenseren 251. la fatiga de vermoeidheid 252. la conjugación de vervoeging 253. el presente de tegenwoordige tijd 254. presentarse zich voorstellen 255. chau doei 256. la hoja de papel het blaadje papier 257. en negrita dikgedrukt 258. el quilo het kilo 259. servir para dienen toe 260. otra vez nogmaals 261. de nuevo opnieuw 262. el diseñador gráfico de grafisch ontwerper 263. el cómic het stripverhaal 264. salir de noche uitgaan 265. la pronunciación de uitspraak 266. la cata de vinos de wijnproeverij 267. nativo/a moeder- 268. las noticias het nieuws 269. la muestra het teken 270. nevado/a besneeuwd 271. la cordillera de bergketen 272. la existencia het bestaan 273. la ubicación de plaatsbepaling 274. sortear verloten 275. estar de viaje op reis zijn 276. poblado/a bevolkt 277. el segundo de seconde; het hoofdgerecht 278. el béisbol het honkbal 279. la tonelada de ton 280. la cuadrícula het vierkant 281. el inversor de investeerder 282. el tirante het schouderbandje 283. el secador de pelo de fohn 284. la ropa interior de onderkleding 285. la crema solar de zonnebrandcrème 286. referirse a verwijzen naar 287. concordar con overeenkomen met 288. la viñeta het plaatje 289. las medias de panty 290. la gorra de pet 291. el complemento de accessoire 292. montar a caballo paardrijden 293. el mercadillo de rommelmarkt 294. empresarial bedrijfs- 295. el cante de zang 296. sí mismo zichzelf 297. aventurero/a avontuurlijk 298. al principio aanvankelijk, in het begin 299. toda parte overal 300. más o menos min of meer 301. el entrevistado de geinterviewde 302. fijarse en zich richten/focussen op; letten op 303. ¡Ojo! Let op! 304. el/la familiar het familielid 305. vestirse zich aankleden 306. bruto/a lomp 307. el/la cotilla de roddelaar(ster) 308. la enseñanza primeria het basisonderwijs 309. lavarse los dientes tandenpoetsen 310. la cabalgata de optocht 311. todo el mundo iedereen 312. el/la juerguista de feestganger 313. el dormilón de slaapkop 314. la estadística de statistiek 315. el medio het medium 316. el arte plástica de beeldende kunst 317. el establecimiento het etablissement 318. la sobrasada de paprikaworst 319. el primero het voorgerecht 320. a la romana gepaneerd 321. el café solo de zwarte koffie 322. riquísimo/a verrukelijk 323. del tiempo op kamertemperatuur 324. artesanal ambachtelijk 325. acompañamiento het bijgerecht 326. al vapor gestoomd 327. pasado por agua zachtgekookt (ei) 328. preparado/a kant-en-klaar 329. el dulce het sneopje 330. la bollería het gebak 331. guisado/a gestoofd 332. con la mano uit het vuistje 333. la canastra de mand 334. la parrilla de grill, barbecue 335. la masa het deeg 336. el relleno de vulling 337. la brocheta de spies 338. adobar marineren 339. el ají de chilipeper 340. el res het rund 341. el buey de os 342. la parrillada de barbecue 343. la carne picada het gehakt 344. bien comunicado/a goed bereikbaar 345. el contenedor de basura de afvalcontainer 346. hacer sol zonnig zijn 347. la ribera de oever 348. la basílica de basiliek 349. el casco antiguo het historisch centrum 350. todo recto rechtdoor 351. al final de aan het eind van 352. disculpe pardon 353. ¡Qué va! Welnee! 354. emblemático/a kenmerkend 355. bohemio/a alternatief 356. la corrala het blok flats 357. comunitario/a gemeenschappelijk 358. obrero/a arbeiders- 359. la limpieza de schoonmaak 360. el consumidor de consument 361. el usuario de gebruiker 362. la Comunidad Autónoma de autonome regio 363. sanitario/a gezondheids- 364. el medioambiente het milieu 365. la movilidad de mobiliteit 366. el mercado laboral de arbeidsmarkt 367. la gestión het beheer 368. la afirmación de stelling 369. el bajo de basgitaar 370. impuntual niet punctueel 371. puntual punctueel 372. apasionado/a gepassioneerd 373. afirmativo/a bevestigend 374. desde que sinds dat 375. el ‘compi’ de huisgenoot 376. leal loyaal 377. el oyente de luisteraar 378. el agricultor de landbouwer 379. el comerciante de handelaar 380. el hostelero de hotelhouder 381. acondicionar klaarmaken, inrichten 382. echar de menos missen 383. críar fokken 384. repoblar herbevolken 385. la ecoaldea het ecodorp 386. plural meervoud 387. conjugar vervoegen 388. invariable onveranderlijk 389. la vocal de klinker 390. irregular onregelmatig 391. 392. Zelf 393. molar behagen 394. chulla vida Ec. YOLO Inhoud Nieuw 1 Zelf 7 Inhoud 8 ABCD 12 A 12 Aabcd 12 Aefgh 15 Aijklmnñ 17 Aopqrst 23 Auvwxyz 28 B 30 Ba 30 Be 31 Bi 31 Bl 32 Bo 32 Br 33 Bu 34 C 35 Ca 35 Cd 40 Ce 40 Ch 42 Ci 43 Cl 44 Co 45 Cr 52 Cu 53 D 55 Da 55 De 55 Di 61 Dn 64 Do 64 Dr 65 Du 65 EFGH 66 E 66 Eabcd 66 Eefgh 66 Eijklmnñ 66 Eopqrst 71 Euvwxyz 75 F 79 Fa 79 Fe 80 Fi 80 Fl 81 Fo 81 Fr 82 Fu 83 G 85 Ga 85 Ge 86 Gi 86 Gl 87 Go 87 Gr 87 Gu 88 H 90 Ha 90 He 90 Hi 91 Ho 92 Hu 93 IJKLMNÑ 94 I 94 Iabcd 94 Iefgh 94 Iijkl 94 Im 94 Inabcd 95 Inefgh 96 Inijklmn 97 Inopqrst 98 Inuvwxyz 99 Iopqrst 100 Iuvwxyz 100 J 101 K 102 L 103 La 103 Le 104 Li 105 Ll 106 Lo 106 Lu 107 M 108 Ma 108 Me 110 Mi 112 Mo 113 Mu 115 N 116 Na 116 Ne 116 Ni 117 No 117 Nu 118 OPQRST 119 O 119 P 123 Pa 123 Pd 127 Pe 127 Pi 130 Pl 132 Po 132 Pr 135 Ps 138 Pu 138 Q 140 Que 140 Qui 140 R 141 Ra 141 Re 142 Ri 148 Ro 148 Ru 149 S 150 Sa 150 Se 151 Si 153 So 154 Su 156 T 159 Ta 159 Te 160 Ti 163 To 164 Tr 165 Tu 167 UVWXYZ 169 U 169 V 171 Va 171 Ve 172 Vi 173 Vo 175 Vu 175 W 176 Y 176 Z 176 Overig 177 Afkortingen 177 Afkortingen 178 ABCD

 

E Eabcd 2739. e en (voor i of hi) 2740. echar 26 (weg)gooien, gieten, schenken 2741. el eco de echo 2742. la ecología de ecologie 2743. ecológico/a ecologisch 2744. la economía de economie 2745. económico/a goedkoop, voordelig; economisch 2746. el/la economista de econoom 2747. economizar 14 besparen 2748. el Ecuador Ecuador 2749. ecuatoriano/a Ecuadoriaans 2750. la edad de leeftijd 2751. la edición de uitgave 2752. edificar 49 bouwen 2753. el edificio het gebouw 2754. editar 26 bewerken 2755. el/la editor/a de redacteur 2756. el edredón het dekbed 2757. la educación de opvoeding; het onderwijs 2758. educaco/a beleefd 2759. educar 49 opvoeden; onderwijzen 2760. educativo/a leerzaam Eefgh 2761. los EE.UU. de VS 2762. efectivamente inderdaad 2763. efectivo/a daadwerkelijk 2764. el efecto het gevolg, effect 2765. efectuar 2 uitvoeren 2766. eficaz doelmatig, efficiënt 2767. eficiente doelmatig, efficiënt 2768. el egoísmo het egoïsme 2769. egoísta de egoïst Eijklmnñ 2770. el eje de spindel 2771. la ejecución de uitvoering; de ophanging 2772. ejecutar 26 uitvoeren; executeren 2773. ejecutivo/a dringend 2774. el ejemplar het exemplaar 2775. el ejemplo het voorbeeld 2776. ejercer 7 bekleden, beoefenen 2777. el ejercicio de oefening 2778. el ejército het leger 2779. el de/het 2780. él hij 2781. elaborar 26 2782. elástico/a 2783. la elección 2784. la electricidad 2785. el/la electrista 2786. eléctrico/a 2787. el electrodoméstico het huishoudelijk apparaat 2788. electrónico/a 2789. el elefante de olifant 2790. la elegancia de elegantie 2791. elegante elegant, stijlvol 2792. elegir 19 (uit)kiezen 2793. el elemento het element 2794. elevado/a 2795. elevar 26 2796. eliminar 26 2797. el elixir bucal 2798. ella zij, haar 2799. ellos/as zij, hen 2800. elogiar 26 2801. el e-mail de e-mail 2802. la embajada 2803. el/la embajador/a 2804. el embalse 2805. embarazada zwanger 2806. embarazoso/a 2807. embarcar 49 2808. el embargo 2809. emborracharse 26 dronken worden 2810. embotellado/a 2811. el embotellamiento de file 2812. el embrague 2813. embrollarse 26 2814. embrujado/a 2815. el embutido het vleeswaar 2816. la emergencia 2817. emigrar 26 2818. el emilio de e-mail 2819. la emisión 2820. emitir 59 uitzenden 2821. la emoción de emotie 2822. emocionado/a 2823. emocionante ontroerend, opwindend 2824. emotivo/a 2825. empacharse 26 2826. empalagoso/a 2827. empalmar 26 2828. la empanada het gevulde pasteitje 2829. empañarse 26 2830. empapar 26 2831. empapelar 26 2832. empaquetar 26 2833. el emparedado LAm. de sandwich 2834. emparejar 26 2835. empastar 26 2836. el empaste 2837. empatar 26 2838. el empate 2839. empedernido/a 2840. empeñado/a 2841. empeñarse 26 2842. empeorar 26 verslechteren 2843. empezar (por) 20 beginnen (met) 2844. el/la empleado/a de medewerker 2845. el/la empleado/a LAm. de winkelmedewerker 2846. emplear 26 2847. el empleo 2848. empollar 26 2849. el/la empollón/ona 2850. la empresa het bedrijf 2851. el/la empresario/a de ondernemer 2852. empujar 26 2853. en in, op 2854. en absoluto absoluut (niet) 2855. en especial in het bijzonder 2856. en punto klaar, gaar; stipt, precies 2857. en vez in plaats daarvan 2858. enamorado/a verliefd 2859. enamorarse 26 verliefd worden 2860. encabezar 14 2861. encaminarse 26 2862. encantado/a 2863. ¡Encantado/a! Aangenaam! 2864. encantador/a prachtig; heel aardig 2865. encantar 26 heel leuk vinden; gek zijn op 2866. el encanto de charme 2867. encarcelar 26 2868. el/la encargado/a de manager 2869. encargar 38 2870. encariñarse 26 2871. el encendedor 2872. encender 21 aanzetten 2873. el encerado 2874. encerrar 40 2875. la enchilada de maïspannenkoek met vleesvulling 2876. el/la enchufado/a inf. 2877. enchufar 26 2878. el enchufe 2879. la encía 2880. la enciclopedia de encyclopedie 2881. encima (de) op, boven(op) 2882. la encina 2883. encoger 8 2884. encontrar 12 vinden 2885. encontrarse 12 elkaar ontmoeten, elkaar tegenkomen 2886. el encuentro de ontmoeting 2887. la encuesta de enquête 2888. enderezar 14 2889. endulzar 14 2890. endurecer 13 2891. el/la enemigo/a 2892. enemistarse 26 2893. la energía 2894. el enero januari 2895. enfadado/a kwaad 2896. enfadarse 26 kwaad zijn 2897. enfermarse 26 LAm. ziek worden 2898. la enfermedad de ziekte 2899. la enfermería 2900. el/la enfermero/a de verpleegkundige 2901. el/la enfermo/a de zieke 2902. enfermo/a ziek 2903. enfocar 49 2904. enfrentarse 26 2905. enfrente (de) tegenover 2906. enfriarse 22 2907. enganchar 26 2908. engañar 26 2909. engordar 26 aankomen, dikker worden 2910. engreído/a 2911. la enhorabuena 2912. el enlace 2913. enlatado/a 2914. enlazar 14 linken, verbinden 2915. enmarcar 49 2916. enojado/a 2917. enojarse 26 2918. enorme enorm 2919. enredarse 26 2920. enrevesado/a 2921. enriquecerse 13 2922. enrollar 26 oprollen 2923. enrollado/a opgerold 2924. enroscar 49 2925. la ensalada de salade 2926. la ensaladilla rusa de huzarensalade 2927. ensanchar 26 2928. ensayar 26 repeteren 2929. el ensayo 2930. enseguida meteen, onmiddelijk 2931. la enseñanza het onderwijs 2932. enseñar 26 uitleggen, lesgeven; laten zien 2933. ensuciar 26 vies worden 2934. entender 21 begrijpen 2935. el/la entendido/a de expert 2936. enterarse 26 2937. entero/a 2938. enterrar 40 begraven 2939. el entierro de begrafenis 2940. entonces dan, toen, dus 2941. el entorno 2942. la entrada de ingang; het toegangskaartje; het voorgerecht 2943. el entrante het voorgerecht 2944. entrar 26 naar binnen gaan 2945. entre tussen 2946. entregar 38 afleveren; aangeven; uitreiken 2947. los entremeses 2948. el/la entranador/a 2949. el entrenamiento 2950. entrenarse 26 2951. entretanto 2952. entretener 54 2953. entretenido/a 2954. la entrevista het interview 2955. el/la entrevistador/a de interviewer/interviewster 2956. entrevistar 26 interviewen 2957. entrometerse 9 2958. entusiasmado/a 2959. entusiasmar 26 enthousiast maken 2960. el entusiasmo 2961. enumerar 26 2962. el envase de verpakking 2963. envejecer 13 verouderen 2964. enviar 22 sturen, verzenden 2965. la envidia de afgunst 2966. envidiar 26 2967. envidioso/a 2968. envolver 60 inpakken Eopqrst 2969. la epidemia 2970. el epidosio 2971. la época de periode; het tijdperk 2972. equilibrado/a 2973. el equilibrio 2974. el equipaje de bagage 2975. el equipo het team 2976. la equitación het paardrijden 2977. equivaler 56 2978. la equivocación 2979. equivocado/a 2980. equivocarse 49 zich vergissen; het verkeerde nummer kiezen 2981. el erizo de egel 2982. el erizo de mar de zee-egel 2983. el error 2984. eructar 26 2985. el eructo 2986. es que namelijk, want 2987. esbelto/a slank 2988. la escala ; 2989. escalar 26 (be)klimmen 2990. la escalera de trap 2991. el escalofrío 2992. el escalón 2993. el escalope de ternera de kalfsschnitzel 2994. la escama 2995. escandalizarse 14 2996. el escándalo 2997. escandinavo/a Scandinavisch 2998. el escáner 2999. escapar 26 ontsnappen 3000. el escaparate de etalage 3001. el escape 3002. escaquearse 26 3003. el escarabajo 3004. escarbar 26 3005. la escarcha 3006. la escasez 3007. escaso/a 3008. la escayola 3009. escayolar 26 3010. la escena 3011. el escenario het toneel 3012. escéptico/a 3013. el/la esclavo/a de slaaf 3014. la escoba 3015. escocer 7 3016. escocés/esa Schots 3017. la Escocia Schotland 3018. escoger 8 3019. escolar school- 3020. esconder 9 3021. la escondida 3022. el escondite verstoppertje 3023. la escopeta de shotgun 3024. el escorpión de schorpioen 3025. escribir 59 schrijven 3026. el/la escritor/a de schrijver 3027. el escritorio het bureau 3028. el escritorio LAm. het kantoor 3029. escrupuloso/a 3030. escuchar 26 luisteren (naar) 3031. el escudo 3032. la escuela de school 3033. la escultura 3034. escupir 59 3035. escurridizo/a 3036. escurrir 59 3037. ese/esa die/dat 3038. esencial 3039. esforzarse 4 3040. el esfuerzo 3041. esfumarse 26 3042. el esguince 3043. el esmalte 3044. eso die, dat (onz.) 3045. espabilar 26 3046. el espacio ; de ruimte 3047. la espada 3048. los espaguetis de spaghetti 3049. la espalda de rug 3050. el espantapájaros 3051. espantar 26 3052. espantoso/a 3053. la España Spanje 3054. el español het Spaans 3055. español/a Spaans 3056. el esparadrapo 3057. el espárrago de asperge 3058. especial bijzonder; speciaal 3059. la especialidad de bijzonderheid; de specialiteit; het specialisme 3060. el/la especialista de specialist 3061. especializarse 14 zich specialiseren 3062. especialmente vooral 3063. la especia het kruid, de specerij 3064. la especie de soort 3065. específico/a 3066. espectacular spectaculair 3067. el espectáculo 3068. el/la espectador/a de kijker, bezoeker 3069. el espejo de spiegel 3070. espeluznante 3071. el espera 3072. la esperanza 3073. esperar 26 wachten (op); hopen (op) 3074. espeso/a 3075. el/la espía de spion 3076. espiar 22 3077. la espina 3078. la espinaca 3079. la espinilla 3080. el espionaje 3081. el espíritu 3082. espiritual 3083. espléndido/a 3084. la esponja de spons 3085. esponjoso/a sponsachtig 3086. espontáneo/a 3087. el/la esposo/a de echtgenoot 3088. las esposas 3089. la espuma het schuim 3090. espumoso/a 3091. el esqueleto 3092. el esquema het overzicht, schema 3093. el esquí het skiën; de ski 3094. el esquí acuático het waterskiën 3095. esquiar 22 skiën 3096. esquimal Eskimo 3097. la esquina de hoek 3098. esquivar 26 3099. estable 3100. establecer 13 3101. el establecimiento 3102. el establo 3103. la estación het station; het seizoen 3104. la estación de ferrocarril het treinstation 3105. estacionar 26 3106. la estadía LAm. het verblijf 3107. el estadio het stadion 3108. el estado de staat 3109. los Estados Unidos de Verenigde Staten 3110. estadounidense van/uit de Verenigde Staten 3111. estafar 26 3112. estallar 26 3113. la estampilla LAm. stamp 3114. la estancia het verblijf; 3115. el estanco de tabakszaak 3116. estándar 3117. el estanque 3118. el estante de 3119. la estantería de boekenkast 3120. el estaño 3121. estar 23 zijn, ergens zijn 3122. la estatua 3123. la estatura 3124. este/esta deze/dit 3125. el este het oosten 3126. la estera 3127. el estéreo 3128. estético/a 3129. el estiércol 3130. el estilo de stijl 3131. estimado/a geachte 3132. estimulante 3133. estimular 26 3134. estirar 26 3135. esto deze, dit (onz.) 3136. Estocolmo Stockholm 3137. el estofado de stoofpot 3138. el estómago de maag 3139. estorbar 26 3140. estornudar 26 niezen 3141. estrangular 3142. estrecho/a 3143. la estrella de ster 3144. estrellar 26 breken, verbrijzelen 3145. estrenar 26 in première gaan 3146. el estreno de première 3147. estreñido/a 3148. el estrés de stress 3149. estresado/a gestrest 3150. estricto/a strikt 3151. estridente 3152. el estropajo het schuursponsje 3153. estropeado/a 3154. estropear 26 3155. la estructura de structuur 3156. estrujar 26 3157. el estuche 3158. el/la estudiante de student/studente 3159. estudiar 26 studeren, leren 3160. el estudio de studie 3161. estudioso/a leergierig, ijverig 3162. la estufa 3163. estupendo/a inf. geweldig, schitterend, uitstekend 3164. estúpido/a 3165. la etapa 3166. eterno/a 3167. la ética 3168. ético/a 3169. la etiqueta het prijskaartje, etiket 3170. étnico/a Euvwxyz 3171. el euro de euro 3172. la Europa Europa 3173. europeo/a Europees 3174. el Euskadi Baskenland 3175. el euskera het Baskisch 3176. evacuar 26 ontruimen 3177. evadir 59 ontwijken 3178. la evaluación de beoordeling 3179. evaluar 2 beoordelen 3180. el evangelio de evangelie 3181. evaporarse 26 verdampen 3182. evasivo/a ontwijkend 3183. la evidencia het bewijs 3184. evidente duidelijk, vanzelfsprekend 3185. evidentemente duidelijk, vanzelfsprekend 3186. evitar 26 vermijden 3187. la evolución 3188. evolucionar 26 3189. exactamente 3190. exacto/a precies 3191. la exageración 3192. exagerar 26 overdrijven 3193. el examen 3194. examinar 26 3195. excavar 26 3196. excelente uitstekend 3197. excéntrico/a 3198. excepcional 3199. excepto behalve 3200. excesivo/a 3201. el exceso 3202. exclamar 26 uitroepen 3203. excluir 11 3204. exclusivo/a 3205. la excursión de excursie 3206. la excusa 3207. la exhibición 3208. exhibir 59 3209. exigente 3210. exigir 17 3211. existir 59 3212. el éxito het succes 3213. exótico/a exotisch 3214. la expansión 3215. la expedición 3216. el expediente 3217. el expendio LAm. 3218. las expensas 3219. la experiencia de belevenis, ervaring 3220. experimentado/a 3221. experimental 3222. experimentar 26 3223. el experimento 3224. el/la experto/a de expert, deskundige 3225. la explicación de uitleg 3226. explicar 49 uitleggen 3227. el/la explorador/a pionier 3228. explorar 26 verkennen 3229. la explosión de ontploffing 3230. la explotación de uitbuiting 3231. explotar 26 uitbuiten; ontploffen 3232. exponer 42 blootstellen; tentoonstellen; uiteenzetten 3233. la exportación de export 3234. exportar 26 exporteren 3235. la exposición de blootstelling; de tentoonstelling 3236. expresamente uitdrukkelijk 3237. expresar 26 uitdrukken 3238. la expresión de uitdrukking 3239. expresivo/a vol uitdrukking 3240. el expreso de sneltrein; de espresso 3241. exprimir 59 persen; uitknijpen 3242. expulsar 26 uitstoten 3243. la expulsión de uitstoot 3244. exquisito/a verrukkelijk 3245. el éxtasis de verrukking, extase 3246. extender 21 uitstrekken, verspreiden 3247. extendido/a uitgestrekt, verspreid 3248. la extensión de uitgestrektheid 3249. el exterior de buitenkant; het buitenland 3250. exterior uitwendig 3251. externo/a uitwendig 3252. la extinción het uitsterven 3253. el extinguidor Lam. de brandblusser 3254. extinguir 59 uitsterven 3255. extinto/a uitgestorven 3256. el extintor de brandblusser 3257. extra bijkomend 3258. extraer 55 uittrekken; extraheren 3259. extraescolar buitenschools 3260. el/la extranjero/a de buitenlander 3261. el extranjero het buitenland 3262. extranjero/a buitenlands 3263. extrañar 26 verbazen; vreemd vinden 3264. la extrañeza de vreemdheid; de onrust 3265. extraño/a vreemd 3266. extraordinario/a buitengewoon 3267. extravagante extravagant, buitenissig 3268. extraviado/a kwijtgeraakt 3269. el/la extremista de extremist 3270. extremo/a uiterst; buitengewoon; uiteenlopend 3271. extrovertido/a extrovert 3272. exuberante overvloedig

I Iabcd 3808. iberoamericano/a Latijns-Amerikaans 3809. la ida de heenreis 3810. la idea het idee 3811. ideal ideaal 3812. idear 26 bedenken, verzinnen 3813. idéntico/a identiek 3814. identificar 49 identificeren 3815. el idioma de taal 3816. idiota idioot Iefgh 3817. la iglesia de kerk 3818. ignorante onwetend, ignorant 3819. ignorar 26 negeren 3820. igual gelijk, hetzelfde 3821. la igualdad de gelijkheid 3822. igualmente insgelijks, dat geldt ook voor mij/ons Iijkl 3823. ilegal illegaal 3824. ilegible onleesbaar 3825. ileso/a ongedeerd 3826. la iluminación de verlichting 3827. iluminar 26 verlichten, verhelderen 3828. la ilusión de hoop, het enthousiasme 3829. ilusionado/a hoopvol, enthousiast 3830. ilusionar 26 enthousiasmeren 3831. la ilustración de illustratie Im 3832. la imagen de afbeelding 3833. la imaginación de verbeelding, fantasie 3834. imaginar 26 zich voorstellen 3835. el imán de magneet 3836. imbécil stom, dwaas 3837. la imitación de imitatie 3838. imitar 26 nadoen, imiteren 3839. impaciente ongeduldig 3840. impar oneven 3841. impedir 39 voorkomen, stoppen 3842. el imperio het rijk 3843. impermeable waterdicht 3844. impersonal onpersoonlijk 3845. impertinente brutaal 3846. imponer 42 indruk maken, opleggen 3847. la importación de import 3848. la importancia het belang 3849. importante belangrijk 3850. importar 26 van belang zijn 3851. imposible onmogelijk 3852. imprescindible essentiëel, onmisbaar 3853. la impresión de indruk, het gevoel 3854. impresionante indrukwekkend 3855. impresionar 26 indruk maken 3856. el impreso het formulier 3857. la impresora de printer 3858. imprevisible onvoorspelbaar 3859. imprevisto onverwacht 3860. imprimir 59 printen 3861. improvisar 26 improviseren 3862. la imprudencia de onvoorzichtigheid 3863. imprudente onvoorzichtig 3864. el impuesto de belasting 3865. el impulso de impuls Inabcd 3866. inaceptable onaanvaardbaar 3867. inadecuado ongeschikt 3868. inadvertido onopgemerkt 3869. inapropiado ongepast 3870. inaugurar 26 inwijden 3871. la incapacidad het onvermogen 3872. incapaz incapabel 3873. los incas de Inca’s 3874. incendiarse 26 ontvlammen 3875. el incendio het vuur 3876. el incentivo de aansporing 3877. el incidente het voorval 3878. incierto onzeker 3879. inclinar 26 buigen, kantelen 3880. incluido inbegrepen 3881. incluir 11 bevatten, meerekenen 3882. incluso zelfs 3883. incómodo/a oncomfortabel, ongemakkelijk 3884. incompetente onbekwaam 3885. incompleto onvolledig 3886. incomprensible onbegrijpelijk 3887. inconsciente bewusteloos 3888. inconveniente nadelig, ongunstig 3889. el inconveniente het probleem, nadeel 3890. incorrecto verkeerd, onjuist 3891. increíble ongelooflijk 3892. inculto onbeschaafd 3893. incurable ongeneeselijk 3894. indeciso/a besluiteloos 3895. indefenso weerloos 3896. la indemnización de compensatie 3897. indemnizar 14 compenseren 3898. la independencia de onafhankelijkheid 3899. independiente onafhankelijk 3900. independientemente onafhankelijk 3901. independizarse 14 onafhankelijk worden; op zichzelf gaan wonen 3902. la India India 3903. la indicación het teken 3904. indicar 49 aanwijzen 3905. el índice de wijsvinger 3906. el/la indígena de oorspronkelijke bewoner/bewoonster, de Indiaan 3907. la indigestión de spijsverteringsstoornis 3908. indignado boos 3909. indignar 26 boos worden 3910. indio/a Indiaans 3911. la indirecta de hint 3912. indirecto indirect 3913. indispensable essentieel 3914. individual individueel, enkel- 3915. el individuo het individu 3916. la industria de industrie 3917. industrial industrieel Inefgh 3918. ineficiente ineffectief 3919. inesperado onverwacht 3920. inestable onstabiel 3921. inevitable onvermijdelijk 3922. inexacto onnauwkeurig 3923. inexperto onervaren 3924. inexplicable onverklaarbaar 3925. infantil kinderen-, kinderachtig 3926. el infarto de hartaanval 3927. la infección de infectie 3928. infeliz ongelukkig 3929. inferior lager, onder 3930. el infierno de hel 3931. inflable opblaasbaar 3932. inflamable brandbaar 3933. inflar 26 opblazen 3934. la influencia de invloed 3935. influenciar 26 beïnvloeden 3936. influir 11 beïnvloeden 3937. la información de informatie 3938. informal informeel, vrijblijvend 3939. informar 26 informeren, inlichten 3940. la informática de informatica 3941. el/la informático/a de ICT’er 3942. el informe het rapport, verslag 3943. la infusión de kruidenthee 3944. ingeniar 26 verzinnen 3945. la ingeniería de techniek 3946. el/la ingeniero/a de ingenieur 3947. el ingenio vernuft 3948. ingenioso/a vindingrijk 3949. ingenuo/a naïef 3950. la Inglaterra Engeland 3951. inglés/esa Engels 3952. el ingrediente het ingrediënt 3953. ingresar 26 toetreden, binnengaan 3954. el ingreso de opname, het inkomen Inijklmn 3955. inicial aanvankelijk 3956. la iniciativa het initiatief 3957. la injusticia de onrechtvaardigheid 3958. injusto/a onterecht, oneerlijk 3959. inmaduro/a onvolgroeid, onrijp 3960. inmediatamente onmiddellijk, meteen 3961. inmediato/a onmiddellijk 3962. inmenso/a reusachtig 3963. la inmigración de immigratie 3964. el/la inmigrante de immigrant 3965. inmoral immoreel, verwerpelijk 3966. inmortal onsterfelijk 3967. inmóvil onbeweeglijk 3968. innecesario/a onnodig Inopqrst 3969. inocente onschuldig 3970. inofensivo/a ongevaarlijk 3971. inolvidable onvergetelijk 3972. inquietante zorgwekkend 3973. inquietar 26 zich zorgen maken 3974. inquieto/a bezorgd 3975. el/la inquilino/a de huurder 3976. insatisfecho/a ontevreden 3977. inscribirse 59 inschrijven 3978. la inscripción de inschrijving; de inscriptie 3979. el insecto het insect 3980. la inseguridad de onveiligheid 3981. inseguro/a onzeker; onveilig 3982. insensible ongevoelig 3983. la insignia de badge 3984. insignificante verwaarloosbaar 3985. insinuar 2 hinten naar 3986. insípido/a flauw, zoutloos 3987. insistir 59 aandringen, volharden 3988. la insolación de zonnesteek 3989. insolente brutaal 3990. insoportable ondraaglijk 3991. el/la inspector/a de controleur 3992. las instalaciones de accomodatie 3993. instalar 26 installeren 3994. instantáneo direct, ogenblikkelijk 3995. el instante het moment 3996. el instinto het instinct 3997. el instituto het instituut 3998. las instrucciones de instructies, aanwijzingen 3999. instructivo/a leerzaam 4000. el/la instructor/a de leraar 4001. el instrumento het instrument 4002. insuficiente onvoldoende 4003. la insulina de insuline 4004. insultar 26 beledigen 4005. el insulto de belediging 4006. intelectual intellectueel 4007. la inteligencia de intelligentie 4008. inteligente intelligent 4009. la intención de intentie, bedoeling 4010. intensivo/a intensief 4011. intenso/a intensief, druk 4012. intentar 26 proberen 4013. el intento de poging 4014. intercambiar 26 uitwisselen 4015. el intercambio de uitwisseling 4016. el interés de interesse, belangstelling 4017. interesante interessant 4018. interesar 26 interesseren 4019. el interfono de intercom 4020. el interior de binnenkant; het binnenland 4021. interior binnen 4022. intermedio/a intermediair 4023. interminable eindeloos 4024. intermitente intermitterend 4025. internacional internationaal 4026. el/la internauta de internetgebruiker 4027. el internet het internet 4028. el/la interno/a de huisbewoner 4029. interno/a inwendig 4030. la interpretación de interpretatie, opvatting 4031. interpretar 26 interpreteren, opvatten 4032. interrogar 38 bevragen 4033. interrumpir 58 onderbreken 4034. la interrupción de onderbreking 4035. interurbano/a lange afstand 4036. intervenir 57 tussenkomen, ingrijpen 4037. la intimidad de intimiteit 4038. intimidar 26 intimideren, bang maken 4039. íntimo/a intiem, hecht 4040. la introducción de inleiding 4041. introducir 10 introduceren, inleiden 4042. introvertido/a introvert 4043. la intuición de intuïtie Inuvwxyz 4044. la inundación de overstroming 4045. inundar 26 overstromen 4046. inútil onbruikbaar 4047. invadir 59 binnendringen 4048. el/la inválido/a de invalide 4049. la invasión de inval, invasie 4050. inventar 26 uitvinden, verzinnen 4051. el invento de uitvinding 4052. el/la inventor/a de uitvinder 4053. el invernadero de kas 4054. invernar 40 overwinteren 4055. inverosímil onwaarschijnlijk 4056. inverso/a omgekeerd 4057. invertir 52 tijd doorbrengen; omkeren 4058. la investigación het onderzoek 4059. el invierno de winter 4060. invisible onzichtbaar 4061. la invitación de uitnodiging 4062. el/la invitado/a de gast, genodigde 4063. invitar 26 uitnodigen 4064. la inyección de injectie 4065. inyectar 26 injecteren Iopqrst 4066. ir 28 gaan 4067. ir a parar belanden 4068. ir a pie lopend gaan, te voet gaan 4069. ir de compras winkelen, shoppen 4070. ir de tapeo een rondje langs tapasbars maken 4071. irse weggaan 4072. la Irlanda Ierland 4073. irlandés/esa Ierlands 4074. irónico ironisch 4075. irracional irrationeel 4076. irrelevante onrelevant 4077. irresistible onweerstaanbaar 4078. irresponsable onverwantwoord 4079. irritante vervelend, irritant 4080. irritar 26 vervelen, irriteren 4081. irrompible onbreekbaar 4082. la isla het eiland 4083. el Islam de Islam 4084. islámico Islamitisch 4085. el/la islandés/esa IJslands 4086. la Islandia IJsland 4087. el isleño de eilander 4088. la Italia Italië 4089. italiano/a Italiaans 4090. el itinerario de route, reis Iuvwxyz 4091. el IVA (impuesto sobre el valor añadido) de btw 4092. la izquierda de linkerkant 4093. izquierdo/a links, linker

 

M Ma 4346. los macarrones de macaroni 4347. la macedonia de fruitsalade 4348. el macho de man 4349. la madera het hout 4350. la madrastra de stiefmoeder 4351. la madre de moeder 4352. el Madrid Madrid 4353. madrileño/a Madrileens 4354. la madrina de peettante 4355. la madrugada de vroege ochtend 4356. madrugar 38 vroeg opstaan 4357. maduro/a rijp; volwassen 4358. el/la maestro/a de leraar 4359. la magia de magie 4360. mágico/a magisch 4361. magnífico/a prachtig 4362. el maíz de maïs 4363. la majestad de majesteit 4364. majísimo/a heel erg leuk 4365. majo/a leuk, sympathiek 4366. mal slecht 4367. maleducado/a onbeleefd 4368. el malentendido het misverstand 4369. el malestar de misselijkheid; de onvrede 4370. la maleta de koffer 4371. el maletero de bagageruimte 4372. malgastar 26 verspillen 4373. malhumorado/a chagrijnig 4374. malo/a slecht, gemeen 4375. maltratar 26 mishandelen 4376. la mama de borst 4377. la mamá de mama 4378. el mamífero het zoogdier 4379. el manantial de bron 4380. la mancha de vlek 4381. manchar 26 ontsieren 4382. mandar 26 bevelen, sturen 4383. la mandarina de mandarijn 4384. la mandíbula de kaak 4385. la manecilla de hand 4386. manejable handelbaar 4387. manejar 26 gebruiken, hanteren 4388. la manera de wijze, manier 4389. la manga de mouw 4390. el mango de mango 4391. el maní LAm. de pinda 4392. maniático/a maniakaal 4393. la manifestación de betoging 4394. manifestarse 40 zich uiten; demonstreren 4395. la maniobra de manoeuvre 4396. manipular 26 manipuleren 4397. la manivela de hendel 4398. la mano de hand 4399. la manopla het washandje, de want 4400. manso/a rustig; tam 4401. la manta de deken 4402. el mantel het tafellaken 4403. mantener 54 onderhouden; vasthouden; volhouden 4404. la mantequilla de boter 4405. el manubrio LAm. het stuurwiel 4406. la manzana de appel 4407. la manzanilla de kamille(thee) 4408. la mañana de morgen, de ochtend 4409. mañana morgen 4410. el mapa de kaart 4411. el maquillaje de make-up 4412. maquillarse 26 zich opmaken 4413. la máquina de machine 4414. la maquinilla de tondeuse 4415. el mar de zee 4416. el maratón de marathon 4417. maravilloso/a fantastisch, wonderbaarlijk 4418. la marca het merk 4419. el marcador de viltstift 4420. marcar 49 markeren 4421. la marcha het verloop; het vertrek 4422. macharse 26 dronken worden 4423. la marea het getij 4424. mareado/a misselijk 4425. marearse 26 duizelig worden 4426. el mareo de duizeligheid 4427. el marfil het ivoor 4428. la margarina de margarine 4429. el margen de kantlijn; de speelruimte 4430. el marido de man, echtgenoot 4431. el marinero de zeeman 4432. la mariposa de vlinder 4433. el marisco de zeevrucht 4434. el mármol het marmer 4435. marrón bruin 4436. el Marruecos Marokko 4437. el martes dinsdag 4438. el martillo de hamer 4439. el marzo maart 4440. más meer, nog (een) 4441. más de meer dan 4442. masculino/a mannelijk 4443. masticar 49 kauwen 4444. matar doden 4445. las matemáticas de wiskunde 4446. la materia de materie 4447. el material het material 4448. materno/a moederlijk; van moeders kant 4449. el matiz de nuance 4450. el matorral het struikgewas 4451. la matrícula de inschrijving 4452. matricularse zich inschrijven 4453. el matrimonio het huwelijk; het koppel 4454. máximo/a maximaal 4455. los mayas de Maya’s 4456. el mayo mei 4457. la mayonesa de mayonnaise 4458. mayor groter; ouder 4459. la mayoría de meerderheid 4460. la mayúscula de hoofdletter 4461. el mazapán de marsepein Me 4462. me mij 4463. la mecánica de werktuigkunde 4464. el/la mecánico/a de monteur 4465. el mecánismo het mechanisme 4466. la mecanografía het typen 4467. el mechero de aansteker 4468. la medalla de medaille 4469. la media het gemiddelde 4470. la media LAm. de sokken 4471. la media pensión het halfpensioen 4472. mediano/a gemiddeld 4473. la medianoche twaalf uur ’s nachts 4474. el medicamento het geneesmiddel 4475. la medicina het medicijn; de geneeskunde 4476. el/la médico/a de arts 4477. la medida de afmeting; de maatregel 4478. medio/a half/halve; gemiddeld 4479. el mediodía twaalf uur ’s middags 4480. medir 39 meten 4481. el Mediterráneo het Middelandse Zee gebied 4482. mediterráneo/a Mediterraans 4483. la medusa de kwal 4484. la mejilla de kaak 4485. el mejillón de mossel 4486. mejor beter 4487. la mejora de verbetering 4488. mejorar 26 verbeteren 4489. la melena het lange haar 4490. mellizo/a tweeling- 4491. el melocotón de perzik 4492. la melodía de melodie 4493. el melón de meloen 4494. la memoria de herinnering 4495. memorizar herinneren 4496. mencionar 26 noemen 4497. el/la mendigo/a de bedelaar 4498. el/la menor de minderjarige 4499. menor jonger; kleiner 4500. menos minder 4501. el mensaje het bericht, de boodschap 4502. el/la mensajero/a de bode 4503. mensual maandelijks 4504. la menta de munt (plant) 4505. la mentalidad de instelling, mentaliteit 4506. la mente het verstand 4507. mentir 52 liegen 4508. la mentira de leugen 4509. el/la mentiroso/a de leugenaar 4510. el menú het menú, de menukaart 4511. menudo/a heel klein 4512. el meñique de pink 4513. el mercado de markt 4514. merecer 13 verdienen 4515. merendar 40 een snack eten in de namiddag 4516. el merengue de merengue 4517. la merienda het vieruurtje 4518. la merluza de heek (witvis) 4519. la merluza a la cazuela de gestoofde heek 4520. la merluza a la romana de gepaneerde, gebakken heek 4521. la mermelada de jam 4522. el mes de maand 4523. la mesa de tafel 4524. el/la mesero/a LAm. de ober 4525. la meta het streven, doel 4526. el metal het metaal 4527. metálico/a metaal 4528. meter 9 stoppen; zetten 4529. el método de werkwijze, methode 4530. el metro de meter 4531. mexicano/a Mexicaans 4532. el México Mexico 4533. la mezcla het mengsel 4534. mezclar mengen 4535. mezquino/a bekrompen, kleinzielig 4536. la mezquita de moskee Mi 4537. mi mijn 4538. mí mij 4539. el microbio de microbe 4540. el micrófono de microfoon 4541. el microondas de magnetrón 4542. el microscopio de microscoop 4543. el miedo de angst 4544. la miel de honing 4545. el/la miembro het lid; het ledemaat 4546. mientras terwijl 4547. el miércoles woensdag 4548. mil duizend 4549. el milagro het wonder 4550. el/la militar de soldaat 4551. la milla de mijl 4552. el millón het miljoen 4553. el/la millionario/a de miljonair 4554. la mina de mijn 4555. mineral mineraal- 4556. el/la minero/a de mijnwerker 4557. mínimo/a minimaal 4558. el mínimo het minimum 4559. el ministerio het ministerie 4560. el/la ministro/a de minister 4561. la minoría de minderheid 4562. minucioso/a zorgvuldig 4563. el/la minusválido/a de mindervalide 4564. el minuto de minuut 4565. el/la mío/a de/het mijne 4566. miope bijziend 4567. la mirada de blik 4568. mira (tú) / mire (usted) kijk eens / kijkt u eens 4569. mirar 26 kijken (naar) 4570. la misa de dienst; mis 4571. la miseria de armoede 4572. la misión de missie, het doel 4573. mismo/a zelfde 4574. el misterio het mysterie 4575. misterioso/a mysterieus, geheimzinnig 4576. la mitad de helft 4577. el mito de mythe, legende 4578. mixto/a gemengd Mo 4579. la mochila de rugzak 4580. el moco de snot, slijm 4581. la moda de mode 4582. los modales de manieren 4583. modelo/a model, voorbeeldig 4584. el modelo het voorbeeld, model 4585. modernizar moderniseren, updaten 4586. moderno/a modern 4587. la modestia de bescheidenheid 4588. modesto/a bescheiden 4589. modificar 49 wijzigen, aanpassen 4590. el modo de manier 4591. mojado/a nat 4592. mojar 26 natmaken 4593. el molde de mal, gietvorm 4594. el mole saus met pinda’s, chocola, chilipepers en kruiden 4595. moler 34 vermalen; vermoeien 4596. molestar storen 4597. la molestia de overlast; de moeite 4598. molesto/a geïrriteerd 4599. el molino de molen 4600. el momento het moment 4601. la momia de mummie 4602. el/la monarca de monarch 4603. la monarquía de monarchie 4604. el monasterio het klooster 4605. la moneda de munteenheid 4606. la moneda extranjera de vreemde valuta 4607. el monedero de portemonnee 4608. el/la monitor/a de instructeur 4609. el/la monje/a de monnik/non 4610. mono/a schattig, modieus 4611. el mono de aap 4612. el monopatín het skateboard 4613. monótono/a monotoon 4614. el monstruo het monster 4615. la montaña de berg 4616. la montaña rusa de rollercoaster 4617. el montañismo de bergsport 4618. montañoso/a bergachtig 4619. montar 26 opstijgen; installeren; opzetten 4620. el monte de berg 4621. el montón de stapel, berg 4622. el monumento het gedenkteken 4623. el moño de knot 4624. la moqueta het vloerkleed 4625. la mora de braam 4626. morado/a paars 4627. moral moreel 4628. la moraleja het moreel 4629. morder 34 bijten 4630. el mordisco de beet, hap 4631. moreno/a donker; bruin (van haar/huid) 4632. morir 33 sterven 4633. mortal fataal, dodelijk 4634. la mosca de vlieg 4635. el mosquito de mug 4636. la mostaza de mosterd 4637. el mosto de most (ongegist druivensap) 4638. el mostrador de toonbank 4639. mostrar 12 tonen, laten zien 4640. el mote de bijnaam 4641. el motivo de reden; het motief 4642. la moto de motor(fiets) 4643. la motocicleta de motorfiets 4644. el motociclismo de motorsport 4645. el motor de motor 4646. el/la motorista de motorrijder 4647. mover 34 bewegen, verplaatsen 4648. la movida het uitgaansleven 4649. el móvil de mobiele telefoon 4650. el movimiento de beweging 4651. el mozo de ober 4652. el/la mozo/a de jongen/het meisje Mu 4653. el/la muchacho/a de jongen/het meisje 4654. la muchedumbre de menigte 4655. muchísimo/a heel veel, heel erg 4656. mucho/a veel, erg 4657. ¡Muchas gracias! Hartelijk dank! 4658. ¡Mucho gusto! Aangenaam! 4659. la mudanza de verhuizing 4660. mudarse 26 verhuizen 4661. mudo/a verstomd 4662. el mueble het meubelstuk 4663. la muela de kies 4664. la muerte de dood 4665. el/la muerto/a de dode 4666. la mujer de vrouw; de echtgenote 4667. la multa de boete 4668. multiplicar 49 vermenigvuldigen 4669. mundial wereldwijd 4670. el mundo de wereld 4671. municipal gemeentelijk, openbaar 4672. el municipio de gemeente; het gemeentebestuur 4673. la muñeca de pols 4674. la muralla de stadsmuur 4675. el murciélago de vleermuis 4676. el murmullo de ruis, het gebrom 4677. el muro de muur 4678. el músculo de spier 4679. el museo het museum 4680. la música de muziek 4681. el/la músico/a de muzicus 4682. el muslo de dij 4683. el/la musulmán/ana de moslim 4684. mutuo/a wederzijds 4685. muy erg, heel

 

P Pa 4926. la paciencia 4927. paciente geduldig 4928. el Pacífico 4929. pacífico/a 4930. el/la pacifista 4931. el pacto 4932. padecer 13 4933. el pádel het padel (sport tussen tennis en squash) 4934. el pedrastro 4935. el padre de vader; de ouder 4936. los padres de ouders 4937. el padrino 4938. la paella de paella (rijstgerecht) 4939. la paga het wisselgeld 4940. pagar 38 betalen 4941. la página de pagina 4942. el pago 4943. el país het land 4944. el País Vasco Baskenland 4945. los Países Bajos Nederland 4946. el paisaje het landschap 4947. la paja 4948. la pajarita de vlinderdas 4949. el pájaro de vogel 4950. la pajita het rietje 4951. la pala 4952. la palabra het woord 4953. la palabrota het scheldwoord 4954. el palacio het palijs 4955. el paladar 4956. la palanca 4957. el palco 4958. la paleta 4959. pálido/a bleek 4960. el palillo het stokje 4961. la paliza 4962. la palma 4963. la palmera de palmboom 4964. el palo 4965. la paloma de duif 4966. las palomitas de maíz de popcorn 4967. palpar 26 4968. la palpitación 4969. palpitar 26 4970. la palta RP de avocado 4971. el pan het brood 4972. la pana 4973. la panadería de bakkerij 4974. el/la panadero/a de bakker 4975. el Panamá Panama 4976. panameño/a Panamees 4977. la pancarta 4978. el pancito LAm. 4979. el panda de panda 4980. la pandereta 4981. la pandilla 4982. el panfleto 4983. el pánico de paniek 4984. la pantalla het beeldscherm 4985. los pantalones de broek 4986. el pantano 4987. la pantera de panter 4988. los pantis 4989. la pantorrilla 4990. el pañal de luier 4991. el paño 4992. el pañuelo 4993. el papa de Paus 4994. la papa LAm. de aardappel 4995. el papá de papa 4996. el Papá Noel de kerstman 4997. el papel het papier; de rol 4998. el papeleo het papierwerk 4999. la papelera de prullenmand 5000. la papelería 5001. la papeleta 5002. las paperas 5003. la papilla het babyvoedsel 5004. el paquete het pak(je) 5005. el par het paar 5006. para voor, om te 5007. para siempre 5008. la parabólica 5009. el parabrisas 5010. el paracaídas de parachute 5011. el/la paracaidista de parachutist 5012. el parachoques de bumper 5013. la parada de halte 5014. el paradero LAm. de bushalte 5015. parado/a werkeloos 5016. el parador 5017. el paraguas de paraplu 5018. el Paraguay Paraguay 5019. paraguayo/a Paraguaans 5020. el paraíso het paradijs 5021. paralelo/a evenwijdig, parallel 5022. la parálisis de verlamming 5023. paralítico/a verlamd 5024. el parapente het paragliden 5025. parar 26 stoppen 5026. el pararrayos de bliksemafleider 5027. la parcela 5028. el parche 5029. el parchís 5030. parcial gedeeltelijk, partieel; biased 5031. parecer 13 lijken 5032. parecido/a dergelijk, soortgelijk 5033. la pared de muur 5034. el/la pareja de partner 5035. la pareja het koppel, paar 5036. el paréntesis het haakje 5037. el/la pariente 5038. el París Parijs 5039. el parking 5040. el parlamento 5041. parlanchín/ina 5042. el parlante LAm. de luidspreker 5043. el paro de werkeloosheid 5044. parpadear 26 5045. el párpado het ooglid 5046. el parque het park 5047. el parquímetro 5048. la parra 5049. el párrafo 5050. la parrilla 5051. la parte het deel 5052. participar 26 5053. el participio het deelwoord 5054. particular persoonlijk, particulier 5055. la partida 5056. el partido de wedstrijd; de politieke partij 5057. el partido LAm. het spel 5058. partir 59 5059. el parto de bevalling 5060. la pasa 5061. pasado/a afgelopen, vorig 5062. el pasador 5063. el pasaje het (vlieg)ticket 5064. el/la pasajero/a de passagier 5065. pasajero/a 5066. el pasamanos de trapleuning 5067. el pasaporte het paspoort 5068. pasar 26 langsgaan; aangeven; doorbrengen; gebeuren 5069. pasarlo bien het leuk hebben 5070. el pasatiempo de hobby 5071. la Pascua Pasen 5072. el pase de pas 5073. pasear 26 wandelen 5074. el paseo de wandeling; de boulevard 5075. el pasillo de gang 5076. pasivo/a 5077. pasmado/a 5078. el paso de stap; de weg 5079. el paso de cebra het zebrapad 5080. la pasta de pasta 5081. pastar 26 grazen 5082. el pastel 5083. la pastelería de banketzaak 5084. la pastilla de tablet, pil 5085. el pasto LAm. het gras 5086. el/la pastor/a de herder 5087. la pata 5088. la patada 5089. la patata de aardappel 5090. las patatas bravas de pikante gebakken aardappels 5091. el paté 5092. la patera 5093. paterno/a vaderlijk; van vaders kant 5094. la patilla 5095. el patín 5096. el patinaje het rolschaatsen, het inlineskaten 5097. patinar 26 rolschaatsen, inlineskaten 5098. los patines en línea de inlineskates 5099. el patinete 5100. el patio 5101. el pato de eend 5102. patoso/a 5103. la patria het thuisland 5104. el/la patrocinador/a de sponsor 5105. patrocinar 26 sponsoren 5106. el/la patrón/ona 5107. la patrulla de patrouille 5108. la pausa de onderbreking, pauze 5109. el pavo de kalkoen 5110. el pavo real de pauw 5111. el/la payaso/a de clown 5112. la paz de vrede, rust Pd 5113. PC PC Pe 5114. el peaje de tol 5115. el peatón de wandelaar 5116. la peca 5117. el pecado 5118. pecar 49 5119. el pecho 5120. la pechuga 5121. el pedal 5122. el pedazo 5123. el/la pediatra 5124. el pedido 5125. pedir 39 bestellen; vragen; verzoeken 5126. la pega 5127. pegadizo/a 5128. pagajoso/a 5129. el pegamento de lijm 5130. pegar 38 plakken 5131. la pegatina de sticker 5132. el peinado 5133. peinar 26 5134. el peine de kam 5135. pelar 26 schillen, pellen 5136. la pelea 5137. pelear 26 5138. el pelícano de pelikaan 5139. la película de film 5140. el peligro het gevaar 5141. peligroso/a gevaarlijk 5142. pelirrojo/a roodharig 5143. el pellejo 5144. pellizcar 49 5145. el pellizco 5146. el/la pelmazo/a 5147. el pelo het haar 5148. la pelota 5149. la peluca 5150. peludo/a harig 5151. la peluquería de kapsalon 5152. el/la peluquero/a de kapper 5153. la pena de moeite 5154. el penalty 5155. pendiente 5156. el pendiente de oorbel 5157. el pene de penis 5158. penetrar 26 5159. la penicilina de penicilline 5160. la península het schiereiland 5161. el penique 5162. el pensamiento 5163. pensar (en) 40 denken (aan) 5164. la pensión 5165. el/la pensionista 5166. penúltimo/a de eennalaatste 5167. el peñón 5168. el peón 5169. la peonza 5170. peor slechter, erger 5171. el pepinillo 5172. el pepino 5173. la pepita 5174. pequeño/a klein 5175. la pera de peer 5176. la percha 5177. el perchero 5178. percibir 59 5179. la percusión 5180. el/la perdedor/a de verlizer 5181. perder 21 verliezen 5182. la pérdida 5183. perdido/a 5184. el perdón het pardon 5185. ¡Perdón! Sorry! 5186. perdonar 26 verontschuldigen 5187. el/la peregrino/a de pelgrim 5188. el perejil 5189. la peraza de luiheid 5190. perezoso/a lui 5191. perfeccionar 26 5192. perfectamente 5193. perfecto/a perfect 5194. el perfume het parfum 5195. la perfumería de parfumerie 5196. periódico/a periodiek 5197. el periódico de krant 5198. el periodismo het journalisme 5199. el/la periodista de journalist 5200. el periodo de periode 5201. el periquito 5202. perjudicar 49 5203. perjudicial 5204. la perla de parel 5205. permanecer 13 5206. permanente 5207. el permiso de toestemming 5208. permitir 59 5209. pero maar 5210. pero bueno, ... maar goed, ... 5211. perpendicular 5212. perplejo/a 5213. la perrera 5214. el perro de hond 5215. perseguir 51 5216. la persiana het rolluik, rolgordijn 5217. la persona de persoon 5218. el personaje 5219. personal persoonlijk 5220. la personalidad 5221. personalmente 5222. la perspectiva 5223. persuadir 59 5224. pertenecer 13 behoren 5225. las pertenencias de eigendommen 5226. la pértiga 5227. el Perú Peru 5228. peruano/a Peruaans 5229. perverso/a 5230. la pesa 5231. la pesadez 5232. la pesadilla de nachtmerrie 5233. pesado/a zwaar; vermoeiend 5234. el pésame 5235. pesar 26 5236. la pesca het vissen 5237. la pescadería 5238. el pescado de vis (als voedsel) 5239. el pescador de visser 5240. pescar 49 vissen 5241. la peseta 5242. pesimista 5243. pésimo/a 5244. el peso het gewicht 5245. pesquero/a vissers- 5246. la pestaña 5247. pestañear 26 5248. el pesticida de pesticide 5249. el pestillo 5250. el pétalo 5251. el petardo 5252. la petición 5253. el petirrojo 5254. el petróleo de aardolie 5255. el petrolero 5256. el pez de vis 5257. la pezuña de hoef Pi 5258. el/la pianista de pianist 5259. el piano de piano 5260. piar 22 5261. el/la pibe/a RP het kind 5262. picado/a gehakt 5263. la picadura 5264. picante pikant, scherp gekruid 5265. el picaporta 5266. picar 49 knabbelen, borrelen 5267. el picnic 5268. el pico 5269. el pie de voet 5270. la piedad 5271. la piedra de steen 5272. la piel het leer; de vacht 5273. la pierna het been 5274. la pieza het stuk, gedeelte 5275. el pijama de pijama 5276. la pila de batterij 5277. el pilar 5278. la píldora de pil 5279. pillar 26 5280. el/la piloto de piloot 5281. el pimentón de paprika 5282. la pimienta 5283. el pimiento de paprika 5284. el pin de badge 5285. el pincel de schilderskwast 5286. el/la pinchadiscos 5287. pinchar 26 5288. el pinchazo 5289. el pincho de snack (vaak op spiesje) 5290. el ping-pong 5291. el pingüino de pinguïn 5292. el pino 5293. las pintadas de graffiti 5294. el pintalabios 5295. pintar 26 schilderen 5296. el/la pintor/a de schilder 5297. pintoresco/a 5298. la pintura het schilderij 5299. la pinza 5300. la piña de ananas 5301. el piojo 5302. la pipa 5303. el pipí 5304. el parigua de kano 5305. el piragüismo de kanosport 5306. la pirámide de pyramide 5307. el/la pirate de piraat 5308. los Pirineos de Pyrineeën 5309. el piropo het compliment 5310. el pirulí de lolly 5311. la pisada 5312. pisar 26 betreden 5313. la piscina het zwembad 5314. el piso het appartement, de flat 5315. el piso compartido het gedeelde appartement 5316. la pista de piste 5317. los pistachos de pistachenootjes 5318. la pistola 5319. pitar 26 5320. el pito 5321. el piyama LAm. de pijama 5322. la pizarra het schoolbord 5323. la pizza de pizza Pl 5324. la placa 5325. el placer het plezier 5326. la plaga de pest 5327. el plan 5328. la plancha 5329. planchar 26 strijken 5330. el planeador 5331. planear 26 5332. el planeta de planeet 5333. el plano de plattegrond 5334. la planta de plant; de verdieping 5335. la planta de interior de kamerplant 5336. plantar 26 planten 5337. el plástico het plastic 5338. la plata het zilver 5339. la plata L.Am. het geld 5340. la plataforma het platform 5341. el plátano de banaan 5342. el platillo 5343. el platino 5344. el plato het bord; het gerecht 5345. la playa het strand 5346. la plaza het plein 5347. el plazo de periode 5348. plegar 35 5349. pleno/a vol, volledig 5350. la pletina 5351. el pliegue 5352. el plomo het lood 5353. la pluma de veer 5354. la pluma estilográfica de vulpen Po 5355. la población de populatie 5356. pobre arm 5357. la pobreza de armoede 5358. poco weinig 5359. poco/a weinig 5360. poder 41 kunnen; mogen 5361. poderoso/a machtig 5362. el/la podólogo/a 5363. ¿podría ...? zou u kunnen ...? 5364. podrido/a 5365. el poema het gedicht 5366. la poesía 5367. el/la poeta 5368. el póker 5369. polaco/a Pools 5370. la polémica 5371. polémico/a 5372. el polen 5373. la policía 5374. el/la policía de politieagent 5375. policíaco/a 5376. el polideportivo 5377. la polilla 5378. la polio 5379. la política 5380. político/a 5381. el/la político/a 5382. el pollo de kip (als voedsel) 5383. el pollo asado de gebraden kip 5384. el pollo con mole kip met saus van pinda’s, chocola, chilipepers en kruiden 5385. el polluelo 5386. el polo 5387. la Polonia Polen 5388. el polvo 5389. la pólvora het buskruit 5390. la pomada 5391. el pomelo 5392. la pompa de bel, bubbel 5393. el pómulo 5394. el poncho 5395. poner 42 leggen; neerzetten; voorzetten 5396. el poney 5397. el pop de popmuziek 5398. popular 5399. por voor, door, langs, over; vanwege 5400. por algún sitio ergens 5401. por eso daarom, vandaar 5402. por favor alstublieft 5403. por fin eindelijk 5404. por la mañana ‘s morgens, ‘s ochtends 5405. por la noche ‘s nachts 5406. ¿por qué? waarom? 5407. por supuesto natuurlijk 5408. por último als laatste, tot slot 5409. el porcentaje het percentage 5410. el porche 5411. la porción 5412. la pornografía de pornografie 5413. el poro 5414. el poroto RP de boon 5415. porque omdat 5416. la porra 5417. el porrazo 5418. la portada de voorpagina 5419. el portal de website; de startpagina 5420. portarse 26 5421. el portátil de laptop 5422. portátil 5423. el/la portavoz 5424. la portera 5425. la portería 5426. el portero 5427. portorriqueño/a Puertoricaans 5428. el Portugal Portugal 5429. portugués/portuguesa Portugees 5430. el porvenir de toekomst 5431. posar 26 5432. la posdata het postscript 5433. poseer 31 bezitten 5434. la posibilidad 5435. posible 5436. positivo/a 5437. posponer 42 uitstellen 5438. la postal de ansichtkaart 5439. el poste 5440. el póster de poster 5441. posterior 5442. postizo/a 5443. el postre het nagerecht, het toetje 5444. la postura 5445. potable drinkbaar 5446. el potaje 5447. la potentcia 5448. potencial 5449. potente krachtig 5450. el potro 5451. el pozo 5452. el pozole eenpansgerecht met vlees, maïs en chilipepers Pr 5453. la práctica 5454. las prácticas de stage 5455. prácticamente 5456. practicante 5457. practicar 49 oefenen 5458. práctico/a praktisch, handig 5459. el prado 5460. la precaución 5461. precavido/a 5462. el precinto 5463. el precio de prijs 5464. el precio total de totaalprijs 5465. precioso/a heel leuk; prachtig 5466. el precipicio 5467. precipitarse 26 5468. precisamente 5469. precisar 26 5470. preciso/a 5471. predecir 16 voorspellen 5472. predicar 49 5473. la predicción 5474. preescolar 5475. prefabricado/a 5476. la preferencia de voorkeur 5477. preferido/a 5478. preferir 52 liever willen, de voorkeur geven aan 5479. el prefijo 5480. la pregunta de vraag 5481. preguntar 26 vragen 5482. prehistórico/a prehistorisch 5483. el prejuicio 5484. prematuro/a 5485. premiar 26 5486. el premio de prijs 5487. el premio Nobel de Nobelprijs 5488. la prenda het kledingstuk 5489. prender 9 5490. la prensa de pers 5491. la preocupación 5492. preocupadísimo/a heel erg bezorgd 5493. preocupado/a bezorgd 5494. preocupar 26 5495. preocuparse zich zorgen maken 5496. la preparación de voorbereiding 5497. preparar 26 voorbereiden 5498. la presa 5499. prescindir 59 5500. la presencia 5501. presenciar 26 5502. el/la presentador/a 5503. presentar 26 5504. presente huidig(e); aanwezig 5505. el preservativo de condoom 5506. el/la presidente/a de president; de voorzitter 5507. la presión de druk 5508. la presión sanguínea de bloeddruk 5509. presionar 26 5510. el préstamo de lening 5511. prestar 26 (uit)lenen 5512. el prestigio 5513. presumido/a ijdel 5514. presumir 59 opscheppen 5515. el presupuesto het budget 5516. el pretexto 5517. la prevención de preventie 5518. prevenir 57 voorkomen 5519. prever 58 5520. previo/a 5521. previsto/a 5522. primario/a 5523. la primavera de lente 5524. el primer plato het voorgerecht, de eerste gang (van de maaltijd) 5525. primero/a eerst 5526. primitivo/a 5527. el/la primo/a de neef/nicht (kind van oom/tante) 5528. la princesa de princes 5529. principal hoofd-, voornaamste 5530. principalmente 5531. el príncipe de prins 5532. el principio het begin 5533. la prioridad 5534. la prisa de haast 5535. la prisión de gevangenis 5536. el/la prisionero/a de gevangene 5537. los prismáticos 5538. privado/a 5539. privarse 26 5540. el privilegio 5541. probable waarschijnlijk 5542. probablemente waarschijnlijk 5543. el probador het pashokje 5544. probar 12 proeven; uitproberen 5545. la probeta de reageerbuis 5546. el problema het probleem 5547. procedente 5548. el procesador 5549. el proceso 5550. proclamar 26 5551. procurar 26 5552. la producción 5553. producir 10 5554. el producto het product 5555. el/la productor/a 5556. la profesión het beroep 5557. profesional professioneel 5558. el/la profesional de profesional 5559. el/la profesor/a de leraar/lerares 5560. profundamente 5561. la profundidad de diepte 5562. profundo/a diep 5563. el programa het programma 5564. el/la programador/a 5565. programar 26 programmeren 5566. progresar 26 5567. el progreso 5568. prohibir 43 verbieden 5569. el prólogo 5570. prolongar 38 5571. el promedio het gemiddelde 5572. la promesa de belofte 5573. prometer 9 beloven 5574. la promoción de aanbieding 5575. el pronombre de voornaam 5576. pronosticar 49 5577. el pronóstico 5578. pronto vroeg, snel 5579. pronunciar 26 uitspreken 5580. la propaganda 5581. propagarse 38 5582. la propiedad 5583. el/la propietario/a de eigenaar 5584. la propina de fooi 5585. propio/a eigen 5586. proponer 42 voorstellen 5587. la proporción 5588. proporcional 5589. proporcionar 26 5590. el propósito 5591. la propuesta het voorstel 5592. la prórroga 5593. el prospecto 5594. prosperar 26 5595. la prostituta 5596. el/la protagonista de hoofdpersoon 5597. la protección de bescherming 5598. protector/a beschermend 5599. proteger 8 beschermen 5600. la protesta 5601. el/la protestante 5602. protestar 26 5603. el proverbio 5604. la provincia de provincia 5605. provisional 5606. las provisiones 5607. provocar 49 5608. provocativo/a 5609. próximo/a volgend; nabijgelegen 5610. el proyecto het project 5611. el proyector de projector 5612. el proyector de cine de filmprojector 5613. prudente 5614. la prueba de test; het bewijs Ps 5615. la psicología de psychologie 5616. psicológico/a psychologisch 5617. el/la psicólogo/a de psycholoog 5618. el/la psiquiatra de psychiater 5619. psiquiátrico/a psychiatrisch Pu 5620. publicar 49 5621. la publicidad 5622. público/a 5623. pudrirse 59 5624. el pueblo het dorp; het volk 5625. el puente de brug 5626. el puerco het varken 5627. el puerro 5628. la puerta 5629. el puerto de haven 5630. el Puerto Rico Puerto Rico 5631. puertorriqueño/a Puertoricaans 5632. pues dan, maar, dus, nou 5633. el puesto de kraam 5634. puesto que sinds 5635. la pulga 5636. el pulgada 5637. el pulgar 5638. pulir 59 5639. el pulmón de long 5640. la pulpería LAM het winkeltje? 5641. el púlpito 5642. el pulpo de inktvis 5643. el pulpo a la gallega de inktvis op Galicische wijze 5644. pulsar 26 5645. la pulsera 5646. el pulso 5647. el pulverizador de spray 5648. la punta 5649. puntiagudo/a 5650. el punto de punt 5651. la puntuación 5652. puntuar 2 becijferen 5653. el puñado 5654. el puñal de dolk 5655. la puñalada 5656. el puñetazo 5657. el puño de vuist 5658. el pupitre 5659. el puré 5660. puro/a

A

(naar boven)

Nr. Spaans Nederlands
c

a

naar

 

a cuadros

geruit

 

a la brasa

gegrild, van de grill

 

a la derecha

rechts

 

a la izquierda

links

 

a mediodía

om twaalf uur ‘s middags

 

a pie

lopend, te voet

 

a posta

expres

 

a veces

soms

 

a ver

eens kijken

 

la abadía

de abdij

ch

abajo/a

onder, beneden

 

abandonado/a

verlaten

 

abandonar 26

verlaten, opgeven

c

el abanico

de fan

 

abarrotado/a

overvol, opgepropt

h

el abdomen

de buik

 

los abdominales

 

 

el abecedario

het alfabet

ch

la abeja

de bij

 

el abeto

 

hpc

abierto/a

open

hc

el/la abogado/a

de advocaat

 

abolir 59

afschaffen

 

abollar 26

 

 

abombarse 26 LAm.

 

c

abonar 26

 

ch

el abono

het abonnement

h el abono semanal het weekabonnement
 

abortar 26

 

 

el aborto

 

 

abrasar 26

verbranden

c

abrazar 14

omhelzen

c

el abrazo

de omhelzing

ch

el abrebotellas

de flesopener

ch

el abrelatas

de blikopener

 

la abreviatura

de afkorting

  el abridor  
c

abrigar 38

 

ch

el abrigo

de jas

c

el abril

april

cph

abrir 59

openen, open gaan

 

abrocahrse 26

 

 

absoluto/a

 

 

absorber 9

 

 

la abstención

 

 

abstenerse 54

 

 

abstraco/a

 

 

absurdo/a

 

ch

el/la abuelo/a

de opa/oma, grootvader/grootmoeder

 

abultado/a

 

 

abultar 26

 

 

abundante

 

ch

aburrido/a

saai; verveeld

c

el aburrimiento

de verveling

ch

aburrirse 59

zich vervelen

 

abusar 26

 

 

el abuso

 

 

acá

hier

c

acabar 26

ophouden; afmaken; stoppen

c

la academia

 

 

académico/a

 

cph

acampar 26

kamperen

c

el acantilado

 

 

acariciar 26

 

 

acaso

 

 

acatarrarse 26

 

 

acceder 9

 

 

accesible

 

pc

el acceso

de toegang

 

accesorio/a

 

cph

el accidente

het ongeval, ongeluk

p

la acción

de daad, handeling; het aandeel

 

el/la accionista

de aandeelhouder

cph

el aceite

de olie

h

el aceite de oliva

de olijfolie

 

el aceite de girasol

de zonnebloemolie

h el aceite para los mosquitos de muggenolie
 

aceitioso/a

olieachtig

ch

la aceituna

de olijf

h

el acelerador

het gaspedaal
c

acelerar 26

versnellen

c

el acento

het accent (teken)

 

acentuarse 2

een accent hebben

c

aceptable

 

cp

aceptar 26

(aanvaarden)

 

la acequia

 

ch

la acera

het trottoir, voetpad

 

acerca

 

 

acercar 49

 

c

el acero

 

c

acertar 40

het juist hebben

h

el ácido

het zuur

h

ácido/a

zuur

 

aclarar 26

 

 

el acné

 

c

acogedor/a

knus, gezellig

c

acoger 8

 

c

la acogida

de ontvangst

 

acomodado/a

 

c

acompañar 26

begeleiden, meegaan met

c

aconsejar 26

adviseren, aanbevelen

ph el acontecimiento de gebeurtenis; het evenement
p

acordar 12

het eens zijn/worden

c

acordarse 12

zich herinneren

 

acortar 26

verkorten

c acostado  
ch

acostarse 12

gaan liggen, naar bed gaan; vrijen

 

acostumbrarse 26

 

 

el/la acróbata

 

c

la actitud

 

c

la actividad

de activiteit, bezigheid

c

activo/a

actief

 

el acto

 

c

el actor

 

c

la actriz

 

c

la actuación

het optreden

c

actual

 

 

la actualidad

het heden

c

actualmente

tegenwoordig

c

actuar 2

acteren; optreden

 

el acuario

 

 

acuático/a

aquatisch

c

acudir 59

 

c

el acuerdo

 

h el acumulador de accu; het koelelement
 

la acupuntura

de acupunctuur

 

acurrucarse 26

 

c

acusar 26

 

 

acústico/a

 

 

adaptarse 26

zich aanpassen

h el adaptor de adapter
h el adaptor universal de wereldstekker
 

a. de J.C.

na Christus

c

adelantado/a

geavanceerd

ch

adelantar 26

inhalen

c

adelante

 

 

el adelanto

 

 

adelgazar 14

afvallen, gewicht verliezen

c

además

bovendien

 

además de

behalve

c

adentro

 

 

adhesivo/a

 

c

la adicción

 

c

el/la adicto/a

 

 

adinerado/a

rijk, welvarend

ch

adiós

tot ziens, dag

 

el aditivo

 

 

la adivinanza

de gok

c

adivinar 26

raden, gokken

c

adjunto/a

 

p

la administración

(de administatie)

 

la Administración de Empresas

de bedrijfskunde

 

el/la administrativo/a

de administratief medewerker/-ster

 

administrativo/a

 

 

la admiración

 

c

admirar 26

 

 

admitir 59

 

c

el/la adolescente

 

c

adonde

waarnaar

 

¿adónde?

waarnaartoe?

 

la adopción

 

 

adoptar 26

 

 

adoptivo/a

 

c

adorar 26

 

 

adornar 26

 

 

el adorno

 

 

adquirir 3

 

c

adrede

expres

ch

la aduana

de douane

c

el/la aduanadero/a

de

c-

el/la adulto/a

de volwassene

 

el/la adversario/a

de tegenstander

 

la advertencia

de waarschuwing

 

advertir 52

waarschuwen

 

aéreo/a

 

 

el aerobic

 

 

el/la aeromozo/a LAm.

 

h

el aeropuerto

de luchthaven, het vliegveld

 

el aerosol

 

 

el afán

 

 

afectado/a

 

 

afectar 26

beïnvloeden

 

afectivo/a

 

 

el afecto

 

h el afeitador eléctrica het scheerapparaat
h

afeitarse 26

zich scheren

 

el afiche LAm.

 

 

la afición

de hobby

 

el/la aficionado/a

de hobbyist, enthousiast

 

aficionarse 26

 

h

afilado/a

scherp

 

afilar 26

scherp maken

 

afinar 26

stemmen (muziekinstrument)

 

afirmar 26

 

 

aflojar 26

 

 

afónico/a

 

 

afortunadamente

 

 

afortunado/a

 

 

la África

Afrika

 

africano/a

Afrikaans

 

afrontar 26

 

 

afuera

buiten

 

las afueras

de buitenwijken

 

agacharse 26

bukken

 

agarrar 26

grijpen

 

la agencia

het bureau

h

la agencia de viajes

het reisbureau

 

la agenda

de agenda

h

el/la agente

de agent

 

agitar 26

bewegen, beroeren

 

aglomerarse 26

 

 

agobiante

 

 

agobiar 26

 

 

el agosto

augustus

 

agotado/a

doodmoe

 

agotar 26

 

ph

agradable

aangenaam, vriendelijk, aardig

 

agradar 26

leuk vinden

ph

agradecer 13

bedanken, waarderen

 

agradecido/a

 

 

el agrado

 

 

agredir 59

 

 

la agresión

 

h la agresión sexual de aanranding
 

agresivo/a

 

 

agrícola

 

h el agricultor de boer, landbouwer
 

la agricultura

de landbouw

h

agrio/a

zuur, wrang

 

agrupar 26

rangschikken, samenvoegen

ph

el agua f

het water

h el agua de grifo het kraanwater
h el agua destilada het gedestilleerde water
h

el agua mineral f

het mineraalwater

h

el agua potable f

het drinkwater

 

el aguacate

de avocado

 

aguantar 26

volhouden, verdragen

 

aguardar 26

verwachten, afwachten

 

agudo/a

schel; acuut; nauwlettend

 

el aguijón

de angel

 

el águila

de adelaar

ph

la aguja

de naald

 

el agujero

de opening

 

ahí

daar

 

ahogarse 38

verdrinken; stikken; uitdoven

p

ahora

nu

 

ahora mismo

nu meteen

 

ahorcarse 49

zich ophangen

 

ahorita LAm.

nu

 

ahorrar 26

sparen

 

los ahorros

het spaargeld

h

ahumado/a

gerookt

h el airbag de airbag
p

el aire

de lucht

h

el aire acondicionado

de airconditioning

 

aislado/a

 

h

el ajedrez

het schaken

h

el ajo

de knoflook

 

ajustado/a

strak

 

ajustar 26

 

 

al

= a + el

 

al aire libre

buiten

 

al final

ten slotte; uiteindelijk

 

al lado de

naast

 

al revés

binnenstebuiten, ondersteboven

 

al trasluz

doorlichten

 

el ala f

de vleugel

 

alabar 26

prijzen

 

la alambrada

het hek

 

el alambre

de draad

 

el álamo

 

h

el alargador

het verlengsnoer

 

alargar 38

 

h

la alarma

het alarm

 

la alba

de ochtendschemering

 

el/la albañail

 

 

el albaricoque

 

 

la alberca LAm.

het zwembad

p

el albergue

het hostel, de herberg

h el albergue juvenil de jeugdherberg
 

la albóndiga

het gehaktballetje

 

el albornoz

 

 

el alboroto

 

 

el álbum

 

 

la alcachofa

de artisjok

h

el/la alcalde/esa

de burgemeester

 

el alcance

 

 

la alcantarilla

 

 

alcanzar 14

 

 

la alcoba

 

h

el alcohol

de alcohol

 

alcohólico/a

alcoholisch

 

la aldea

het dorp

 

el/la aldeano/a

de dorpeling

 

alegrarse 26

zich verheugen

 

alegre

vrolijk, blij

 

la alegría

de vreugde, blijdschap

 

alejarse 26

 

h

alemán/ana

Duits

p

la Alemania

Duitsland

 

la alergia

de allergie

 

la alergia al polen

de hooikoorts

h alérgico allergisch
 

alerta

 

h-

la aleta

de flipper; de vin

 

el alfabeto

het alfabet

 

la alfarería

 

 

el/la alfarero/a

 

 

el alféizar

 

 

el alfil

 

 

el alfiler

 

 

la alfombra

het tapijt; het kleed

 

la alfombrilla

 

 

las algas

het zeewier

p

algo

iets

 

el algodón

de katoen

p

alguien

iemand

 

algún/alguna

(een) enkel/enkele

 

alguno/a

iemand; (een) enkele

 

alguna vez

ooit, een keer

p

algunas veces

soms, een paar keer

p

algunos/as

enkele, een paar

 

el/la aliado/a

 

 

la alianza

 

 

aliarse 22

 

 

los alicates

de nijptang

 

el aliento

 

 

aligerar 26

verlichten

 

la alimentación

de voeding

 

alimentar 26

voeden

p

el alimento

het voedsel, het voedingswaar

 

aliñar 26

 

 

el aliño

de dressing

 

aliviar 26

 

 

el alivio

de opluchting

p

allá

daar

 

allanar 26

 

 

allí

daar

 

la alma

de ziel

 

el almacén

het warenhuis

 

almacenar 26

 

 

la almeja

 

 

las almejas a la marinera

mosselen op zeemanswijze

 

la almendra

de amandel

 

el almíbar

 

 

la almohada

het kussen

 

almorzar 4

lunchen, ‘s middags eten

 

el almuerzo

de lunch

 

aló LAm.

hallo!

 

el alojamiento

de huisvesting, het onderdak

p alojar 26 (verblijven)
 

alojarse 26

 

 

la alpargata

de espadrille

 

los Alpes

de Alpen

 

el alpinismo

het bergbeklimmen

 

el/la alpinista

 

p

alquilar 26

huren

 

el alquiler

de huur

 

alrededor de

rondom

p

los alrededores

(de omgeving)

 

la alta

 

 

el altar

 

 

el altavoz

de luidspreker

 

alterar 26

 

 

alternar 26

 

 

la alternativa

het alternatief

 

alterno/a

 

 

los altibajos

 

 

la altitud

de hoogte

p

alto/a

hoog; lang (bij personen); luid, hard

 

el altoparlante LAm.

de luidspreker

 

la altura

de hoogte

 

las alubias

de bonen

 

alucinar 26

 

 

el alud

de lawine

 

aludir 59

 

 

el aluminio

het aluminium

 

el/la alumno/a

de leerling

 

la alusión

 

 

la alverja LAm.

 

 

la alza

 

 

alzar 14

 

 

la ama

 

p

amable

vriendelijk

 

amamantar 26

 

 

amanecer 13

 

 

el/la amante

de geliefde

 

amar 26

 

 

amargar 38

 

 

amargo/a

bitter

p

amarillo/a

geel

 

amarrar 26

 

 

el Amazonas

de Amazone

 

el ámbar

 

 

la ambición

 

 

ambicioso/a

 

 

el ambientador

 

 

el ambiente

de sfeer

 

el ámbito

het bereik

 

ambos/as

beide

 

la ambulancia

de ambulance

 

el ambulatorio

 

 

amén

amen

 

la amenaza

de bedreiging

 

amenazar 14

 

 

la América

Amerika

 

la América Central

Centraal-Amerika

 

la América Latina

Latijns-Amerika

 

la América del Sur

Zuid-Amerika

 

la americana

 

 

americano/a

Amerikaans

 

las amígdalas

de amandelen

p-

el/la amigo/a

de vriend/in

 

la amistad

de vriendschap

 

amistoso/a

vriendelijk

 

el/la amo/a

de eigenaar

 

amontonar 26

opstapelen

 

el amor

de liefde

 

amoratado/a

blauw, zwartblauw

 

amortiguar 26

 

 

ampliar 22

uitbreiden

 

el amplificador

 

 

amplio/a

uitgebreid

 

la ampolla

de blaar

 

amputar 26

amputeren

 

amueblar 26

inrichten

 

analfabeto/a

ongeletterd

 

el analgésico

de pijnstiller

 

el análisis

de analyse, test

 

el análisis de sangre

de bloedtest

 

analizar 14

 

 

la anarquía

de anarchie

 

la anatomía

de anatomie

 

ancho/a

 

 

la anchoa

de ansjovis

 

la anchura

de breedte

 

anciano/a

oud

 

el/la anciano/a

de oudere

 

la ancla

het anker

 

¡Andále!

Vooruit!

 

la Andalucía

Andalusië

 

andaluz/a

Andalusisch

 

el andamio

de steiger

 

andar 5

lopen; gaan

 

el andén

het perron

 

los Andes

de Andes

 

la anécdota

de anekdote

 

la anemia

de bloedarmoede

 

la anestesia

de verdoving

 

el anfiteatro

 

 

el ángel

de Engel

 

las anginas

 

 

el ángulo

 

 

el anillo

de ring

 

animado/a

 

 

el/la animador/a

 

 

el animal

het dier

 

el animal doméstico

het huisdier

 

animar 26

 

 

el ánimo

 

 

el anís

de anijs

 

el aniversario

 

 

anoche

gisteravond/-nacht

 

anochecer 13

schemeren

 

anónimo/a

 

 

anormal

 

 

anotar 26

noteren

 

la ansiedad

de spanning; de bezordheid

 

ansioso/a

ongerust, angstig

 

el Antártico

Antarctica

 

ante

voor

 

el ante

de suède

 

anteanoche

eergisternacht

 

anteayer

eergisteren

 

los antecedentes

de voorgeschiedenis

 

antemano

 

 

la antena

 

 

los anteojos LAm.

de bril

 

los antepasados

de voorouderen

 

anterior

vorige

 

anteriormente

eerder

 

antes (de)

eerder, vroeger, voordat

 

el antibiótico

het antibioticum

 

anticipado/a

 

 

anticipar 26

voorzien; naar voren brengen

 

el anticonceptivo

het voorbehoedsmiddel

 

anticuado/a

ouderwets

 

el antifaz

het masker

 

antiguamente

vroeger, voorheen

 

la antigüedad

de oudheid

 

antiguo/a

oud, antiek; voormalig

 

las Antillas

de Antillen

 

antipático/a

onaardig, onsympathiek

 

antiséptico/a

antiseptisch

 

antojarse 26

 

 

la antorcha

 

 

la antropología

de antropologie

 

anual

jaarlijks

 

anular 26

 

 

anunciar 26

 

 

el anuncio

de advertentie

 

el anzuelo

 

 

añadir 59

toevoegen

 

el año

het jaar

 

apagado/a

 

 

apagar 38

doven

 

el apagón

de stroomstoring

 

apañado/a

 

 

apañarse 26

 

 

el aparador

 

 

el aparato

 

 

el aparcamiento

de parkeerplaats

 

aparcar 49

parkeren

 

aparecer 13

lijken; verschijnen; te voorschijn komen

 

aparentemente

 

 

el apartado

het gedeelte

 

el apartado de correos

 

 

el apartamento

het appartement

 

apartar 26

 

 

aparte

 

 

apellidarse 26

als achternaam hebben

 

el apellido

de achternaam

 

apenado/a

verdrietig

 

apenado/a LAm.

beschaamd

 

apenas

 

 

la apendicitis

de blindedarmontsteking

 

el apertivo

 

 

la apertura

 

 

apestar 26

stinken

 

apetecer 13

lusten, trek hebben in

 

el apetito

 

 

apetitoso/a

 

 

el apio

 

 

aplastante

 

 

aplastar 26

pletten, plat drukken

 

aplaudir 59

 

 

el aplauso

 

 

aplazar 14

uitstellen

 

la aplicación

 

 

aplicado/a

 

 

aplicar 49

 

 

el apodo

de bijnaam

 

el apogeo

 

 

aportar 26

bijdragen

 

aposta

expres

 

apostar 12

 

 

el apóstrofo

 

 

apoyar 26

steunen

 

el apoyo

 

 

apreciar 26

 

 

aprender 9

leren

 

el/la aprendiz/a

 

 

el aprendizaje

het leren

 

aprensivo/a

 

 

apresurado/a

 

 

apresurarse 26

 

 

apretado/a

 

 

apretar 40

knellen

 

aprisa

 

 

aprobar 12

goedkeuren, toestemmen met

 

apropiado/a

passend, gepast

 

aprovechar 26

gebruiken

 

aproximadamente

ongeveer

 

aproximado/a

ongeveer

 

aproximarse 26

 

 

la aptitud

de aanleg, bewkaamheid

 

apto/a

geschikt

 

la apuesta

 

 

apuntar 26

opschrijven, noteren; wijzen

 

los apuntes

de aantekeningen

 

apuñalar 26

 

 

apurar 26

 

 

el apuro

 

 

aquel/aquella

die/dat

 

aquél/aquélla

die/dat

 

aquello

 

 

aquí

hier

 

árabe

Arabisch

 

la Arabia

Arabië

 

el arado

 

 

la araña

de spin

 

arañar 26

 

 

el arañazo

 

 

arar 26

 

 

el/la árbitro/a

de scheidsrechter

 

el árbol

de boom

 

el árbol genealógico

de stamboom

 

el arbusto

de struik

 

la arca

 

 

el arcén

 

 

el archivador

 

 

archivar 26

 

 

el archivo

 

 

la arcilla

 

 

el arco

de boog

 

el arco iris

de regenboog

 

arder 9

 

 

la ardilla

de eekhoorn

 

el ardor

de passie

 

el área

het gebied

 

la arena

het zand

 

el arenque

 

 

la Argentina

Argentinië

 

argentino/a

Argentijns

 

la argolla

 

 

el argot

 

 

el argumento

 

 

árido/a

droog

 

la arma

het wapen; het geweer

 

la armada

 

 

la armadura

het pantser, harnas

 

armar 26

 

 

el armario

de (kleding)kast

 

el armazón

 

 

la armonía

 

 

el aro

de hoepel

 

la aroma

 

 

la aromaterapia

 

 

la arpa

 

 

la arqueología

 

 

el/la arqueólogo/a

 

 

el/la arquero/a LAm.

de doelman

 

el/la arquitecto/a

de architect/e

 

la arquitectura

de architectuur

 

arrancar 49

 

 

arrastrar 26

 

 

el arrecife

het rif

 

arreglar 26

 

 

el arreglo

 

 

arrepentirse 52

 

 

arrestar 26

 

 

el arresto

 

 

arriba

boven

 

arriesgado/a

risicovol

 

arriesgar 38

riskeren, risico nemen

 

arrimar 26

 

 

la arroba

het apenstaartje (@-teken)

 

arrojar 26

gooien

 

arropar 26

 

 

el arroyo

 

 

el arroz

de rijst

 

la arruga

de rimpel; de kreuk

 

arrugarse 38

rimpels krijgen, kreukelen

 

arruinar 26

 

 

el arte

de kunst

 

el artefacto

 

 

la artesanía

de ambacht

 

el/la artesano/a

 

 

ártico/a

 

 

la articulación

het gewricht

 

el artículo

het artikel; het lidwoord

 

artificial

kunstmatig

 

el/la artista

de artiest

 

la arveja LAm.

de

 

el arzobispo

de aartsbisschop

 

el as

de aas (kaarten)

 

asado/a

geroosterd

 

asaltar 26

 

 

la asamblea

de vergadering, bijeenkomst

 

asar 26

roosteren; braden

 

ascender 21

 

 

el ascensor

de lift

 

el asco

 

 

asegurar 26

 

 

el aseo

 

 

asequible

 

 

asesinar 26

vermoorden

 

el asesinato

de moord

 

el/la asesino/a

 

 

el/la asesor/a

 

 

el asfalto

 

 

la asfixia

 

 

asfixiarse 26

 

 

así

zo, zodoende

 

la Asia

Azië

 

asiático/a

Aziatisch

 

el asiento

de zitplaats

 

la asignatura

 

 

el asilo

 

 

asimilar 26

 

 

la asistencia

de ondersteuning, zorg

 

asistir 59

behandelen

 

la asma

de astma

 

la asociación

 

 

asociar 26

 

 

asolearse 26 LAM

zonnen

 

asombrar 26

verbazen

 

el asombro

de verbazing

 

asombroso/a

verbazingwekkend

 

el aspecto

het uiterlijk

 

áspero/a

ruig, hard

 

la aspiradora

de stofzuiger

 

aspirar 26

 

 

la aspirina

de aspirine

 

asqueroso/a

vies, smerig

 

la astilla

de splinter

 

el astro

de ster

 

la astrología

de astrologie

 

el/la astronauta

de astronaut

 

la astronomía

de astronomie, sterrenkunde

 

astuto/a

 

 

asumir 59

aannemen

 

el asunto

de kwestie

 

asustar 26

 

 

atacar 49

aanvallen

 

el atajo

 

 

el ataque

 

 

atar 26

vastbinden

 

atardecer 13

donker worden

 

el atardecer

de avondschemering

 

atareado/a

druk

 

el atasco

de file

 

el ataúd

de grafkist

 

la Atenas

Athene

 

la atención

 

 

atender 21

bedienen; zorgen voor

 

el atentado

de aanslag

 

el atentado suicida

de zelfmoordaanslag

 

atentamente

met vriendelijke groeten

 

atento/a

 

 

el aterrizaje

de landing

 

aterrizar 14

landen

 

atiborrarse 26

 

 

el ático

de zolder

 

atlántico/a

Atlantisch

 

el atlas

 

 

el/la atleta

 

 

el atletismo

 

 

la atmósfera

 

 

atómico/a

 

 

el átomo

het atoom

 

atónito/a

verbaasd

 

atracar 49

 

 

la atracción

 

 

el atraco

 

 

atractivo/a

 

 

atraer 55

aantrekken

 

atrapar 26

vangen

 

atrás

achter(in)

 

atrasado/a

 

 

atrasar 26

 

 

atrasarse 26

 

 

atravesar 40

doorkruisen

 

atreverse 9

durven

 

atrevido/a

 

 

atropellar 26

 

 

el atún

de tonijn

 

audaz

 

 

la audencia

 

 

el aula f

de zaal, het lokaal

 

aumentar 26

 

 

el aumento

 

 

aun

 

 

aún

nog steeds

 

aunque

hoewel

 

la ausencia

de afwezigheid

 

ausente

 

 

la Australia

Australië

 

australiano/a

 

 

la Austria

 

 

austriaco/a

 

 

auténtico/a

echt, authentiek

 

el auto

 

 

la autobiografía

 

 

el autobús

de bus

 

el autocar

 

 

la autoescuela

de rijschool

 

el autógrafo

de handtekening

 

automático/a

 

 

el automóvil

de auto

 

la autonomía

 

 

autonómico/a

 

 

autónomo/a

 

 

la autopista

 

 

el/la autor/a

de auteur

 

autorizado/a

 

 

autorizar 14

autoriseren

 

el autoservicio

 

 

el autostop

het liften

 

el/la autostopista

de lifter

 

el auxilio

de hulp

 

avanzar 14

voouitgaan, vorderen

 

AVE

= AltaVelocidad Española

 

la ave

de vogel

 

la avellano

de hazelaar

 

la avena

de haver

 

la avenida

de laan, boulevard

 

aventajar 26

overtreffen, inhalen

 

la aventura

het avontuur

 

avergonzar 14

beschamen

 

la avería

de beschadiging

 

averiarse 22

beschadigd worden

 

averiguar 26

verifiëren

 

el avestruz

de struisvogel

 

la aviación

de luchtvaart

 

el avión

het vliegtuig

 

la avioneta

het vliegtuigje

 

avisar 26

waarschuwen

 

el aviso

de waarschuwing

 

la avispa

de wesp

 

ay

ach!

 

ayer

gisteren

 

la ayuda

de hulp

 

el/la ayudante

de assistent

 

ayudar 26

helpen

 

el ayuntamiento

het gemeentehuis

 

la azafata

de stewardess

 

el azar

de kans

 

la azotea

het dak

 

los aztecas

de Azteken

 

el azúcar

de suiker

 

azul

blauw

B

(naar boven)

Spaans Nederlands

el bacalao

de kabeljauw

el bacalao al pil pil

de kabeljauw met chilipepers

la bahía

de baai

bailar

dansen

el/la bailarín/ina

de danser(es)

el baile

de dans

bajar

uitstappen; naar beneden gaan

bajarse

uitstappen

bajo/a

laag; klein

el balcón

het balkon

la ballena

de walvis

el balnearo

spa

el balón

de bal

el baloncesto

het basketbal

la banana (Argentinië)

de banaan

el banco

de bank

la bandeja

het dienblad

la bandera

de vlag

el bañador

het badpak, de zwembroek

bañarse

gaan zwemmen

la bañera

het bad, de badkuip

el baño

de badkamer; het bad; de WC

el bar

de bar, het café

barato/a

goedkoop

la barba

de baard

la barbacoa

de barbecue

la barbaridad

de wreedheid

la barbilla

de kin

el barco

de boot, het schip

la barra

de bar

barrer

vegen

la barrera

de drempel, hindernis

la barriga inf.

de navel

el barrio

de wijk

basarse

baseren op

la báscula

de balans, weegschaal

la base

de basis

básico

elementair, eenvoudig

bastante

nogal, tamelijk; genoeg; redelijk

bastar

genoeg zijn

la basura

de afval, het vuilnis

el/la basurero/a

de vuilnisman/-vrouw

la bata

de badjas; de labjas

la batalla

de (veld)slag

la batería

de batterij; het drumstel

el batido

de milkshake

batir

slaan; (los)kloppen; klutsen

el baúl

kist, achterbak

el bebé

de baby

beber

drinken

la bebida

het drankje

las bebidas alcohólicas

de alcoholische dranken

bebido

dronken

la beca

de (studie)beurs

belga

Belgisch

la Bélgica

België

la belleza

de schoonheid

bello/a

mooi, aantrekkelijk

bendecir 16 (decir)

zegenen

beneficiar

profiteren

el beneficio

het voordeel; de baat, winst

benéfico

liefdadig

la berenjena

de aubergine

besar

kussen, zoenen

el beso

de kus, zoen

la bestia

het beest

el biberón

de zuigfles

la Biblia

de Bijbel

la biblioteca

de bibliotheek

la biblioteca municipal

de stadsbibliotheek

el bicarbonato

het bicarbonaat

el bicho

het insect

la bici

de fiets

la bicicleta

de fiets

el bidé

het bidet

bien

goed, erg

el bienestar

het welzijn

bienvenido/a

welkom

la bifurcación

de splitsing, tweesprong

el bigote

de snor

el bikini

de bikini

bilingüe

tweetalig

el billar

het biljart

el billete

het kaartje, ticket; het biljet

el billón

het triljoen

el bingo

de bingo

la biología

de biologie

biológico/a

biologisch

el/la bisabuelo/a

de overgrootvader/-moeder

la bisagra

de scharnier

el bistec

de biefstuk

la bisutería

de sieraden

bizco/a

scheel

blanco/a

wit

blando/a

zacht

el bloc

het schrijfblok

el blog

de blog

bloguear

bloggen

el bloque

het blok

bloquear

blokkeren

la blusa

de blouse

la boca

de mond

la bocacalle

de zijstraat

el bocadillo

het (belegde) broodje

el bocado

het tussendoortje

el bochorno

de beklemming, benauwdheid

la boda

de bruiloft; het huwelijk

la bodega

de kelder

la bofetada

de klap, mep

el bol

de schaal

la bola

de bal

la bolera

de bowlingbaan

la boletería Lam

het ticketbureau

el boletín

het nieuwsbericht

el boleto

het kaartje

el boli

de pen

el bolígrafo

de pen

la Bolivia

Bolivia

boliviano/a

Boliviaans

el bollo

het broodje; de knobbel, bult

el bolo

de kegel

la bolsa

de tas; het zakje

el bolsillo

de (broek)zak

el bolso

de tas

la bomba

de bom; de pomp

bombardear

bombarderen

el/la bombero/a

de brandweerman/-vrouw

la bombilla

de gloeilamp

el bombón

de bonbon

la bombona

de gastank

la bondad

de vriendelijkheid

el boniato

de zoete aardappel

bonito/a

mooi, leuk

el bonobús

de reispas

el boquerón

de ansjovis

los boquerones fritos

de gefrituurde ansjovis

el borde

de rand

el bordillo

de stoeprand

el bordo

het boord

borracho

dronken

el borrador

de proefversie

borrar

schoonmaken

la borrasca

storm

borroso

onduidelijk, wazig

el bosque

het bos

bostezar 14 (z/c)

geeuwen

la bota

de laars

las botas de montaña

de bergschoenen

el bote

de doos, pot

la botella

de fles

el botiquín

de eerstehulpset

el botón

de knop

el boxeo

het boksen

el Brasil

Brazilië

brasileño/a

Braziliaans

brasilero/a Lam

Braziliaans

¡Bravo!

Bravo!

el brazo

de arm

la brecha

de opening

breve

kort

el bricolaje

het klussen, doe-het-zelven

el brillante

de diamand

brillar

schijnen, fonkelen

el/la británico/a

de Brit

la broma

de grap, het grapje

bromear

een grap maken

bronceado/a

bruin (door zon)

el bronceador

de zonnebrand

el/la brujo/a

de tovenaar/heks

la bruma

de mist

brusco

kortaf; nors; ruw

Bruselas

Brussel

bucear

duiken

buen

= bueno

bueno/a

goed

¡Buenas noches!

Goedenavond!/Weltrusten!

¡Buenas tardes!

Goedemiddag!/Goedenavond!

¡Buenas!

Goeiemiddag!/Goeienavond!

bueno

goed, nou goed, nou ja

¡Buenas días!

Goedendag!/Goedemorgen!

la bufanda

de sjaal

la buhardilla

de zolder

el búho

de uil

el bulto

de bult, bobbel

el buñuelo

de donut

el buque

het schip

burlarse de

dollen, belachelijk maken; bespotten

burro/a

gek, gestoord

el burro

de ezel

el burrito

de maïspannenkoek met hartige vulling

la busca

de zoektocht, het zoeken

el buscador

de zoekmachine

buscar 49 (c/qu)

zoeken

la butaca

de luie stoel

el buzo

de duiker

el buzón

de brievenbus, het postvak

C

(naar boven)

Spaans Nederlands

el caballero

 

el caballo

het paard

la cabaña

 

el cabello

het haar

caber 48

 

la cabeza

het hoofd

la cabina

 

el cable

 

el cabo

de kaap

la cabra

 

la caca

 

el cacahuete

de pinda

el cocao

 

la cacerola

 

los cacharros

 

el/la cachorro/a

 

el cactus

de cactus

cada

elk(e), ieder(e)

el cadáver

 

la cadena

de keten

la cadena musical

de stereoset

la cadera

 

caducar 49

 

caer 6

vallen

caer bien/mal 6

goed/slecht vallen

el café

de koffie

la cafetera

 

la cafetería

de cafetaria, de lunchroom

la caída

de uitval

el caimán

 

la caja

de doos, kist

la cajetilla

het doosje

el/la cajero/a

 

el cajero automático

het pinautomaat

el cajón

 

la cala

 

el calabacín

de courgette

la calabaza

de pompoen

el calamar

de inktvis

los calamares a la romana

de gefrituurde inktvisringen

el calambre

de kramp; de elektrische schok

calar 26

 

la calavera

de schedel

calcar 49

 

el calcetín

de sok

el calcio

het calcium

la calculadora

de rekenmachine

calcular 26

 

el cálculo

 

el caldo

 

el caldo gallego

de stoofpot op Galicische wijze

la calefacción

de verwarming

el calendario

 

el calentador

 

el calentamiento

 

el calentamiento global

 

calentar 40

verwarmen

la calentura

de temperatuur

la calidad

de kwaliteit

cálido/a

warm

caliente

warm, heet

la calificación

 

calificar 49

 

callado/a

 

callarse 26

zwijgen

la calle

de straat

callejero/a

straat-

el callejón

 

los callos

de pens (gerecht)

la calma

 

el calmante

 

calmar 26

 

el calor

de warmte, hitte

la caloría

 

caluroso/a

 

calvo/a

 

el calzado

het schoeisel

los calzoncillos

 

la cama

het bed

la cama matrimonial

het tweepersoonsbed

la cámara

 

el/la camarero/a

de ober/serveerster

el camarote

 

cambiar 26

veranderen, overstappen

el cambio

de verandering

el cambur (Venezuela)

de banaan

el camello

de kameel

la camilla

 

caminar 26

loepen, wandelen

la caminata

 

el camino

de weg

el camión

 

el/la camionero/a

 

la camioneta

 

la camisa

 

la camiseta

het T-shirt

el camisón

 

el camote

de zoete aardappel

el campamento

 

la campana

 

la campaña

 

el/la campeón/ona

 

el campeonato

 

el/la campesino/a

 

el camping

de camping

el campo

het veld; het platteland

la cana

 

el Canadá

Canada

canadiense

Canadees

el canal

 

las Canarias

de Kanarische Eilanden

el canario

 

la canasta

 

cancerlar 26

 

el cáncer

de kanker

la cancha

 

la cancha LAm.

pitch ¿?????????

la canción

het lied

el candado

 

el/la candidato/a

de kantidaat

la canela

 

el cangrejo

de krab

el canguro

de kangaroe

el/la canguro

de babysitter

la canoa

de kano

cansado/a

moe; vermoeiend

el cansancio

 

cansar 26

 

el/la cantante

de zanger

cantar 26

zingen

la cantidad

 

la cantimplora

 

la cantina

de kantine

la caña

het tapbiertje

el caos

 

la capa

de laag

la capacidad

 

capaz

capabel

la capilla

de kapel

la capital

de hoofdstad

el/la capitán/ana

de kapitein

el capítulo

het hoofdstuk

capturar 26

 

la capucha

 

caqui

 

la cara

het gezicht

el caracol

 

el carácter

het karakter

la característica

het kenmerk, de eigenschap

caramba

 

el caramelo

 

las caraotas

de bonen

la caravana

 

el carbón

de steenkool

el carbón de leña

 

la cárcel

 

el cardenal

 

cardiaco/a

 

la careta

 

la carga

 

cargado/a

 

cargar 38

 

el cargo

de functie

el Caribe

de Caraïben

caribeño/a

Caraïbisch

la caridad

 

la caries

 

el cariño

de genegenheid

cariño

lieveling, schat

cariñoso/a

 

el carnaval

 

la carne

het vlees

el carnet

de kaart

el carnet de conducir

het rijbewijs

el carnet de identidad

het identiteitsbewijs

la carnicería

de slager

el/la carnicero/a

de slager

caro/a

duur

la carpeta

 

la carpintería

 

el/la carpintero/a

 

la carrera

 

el carrete

 

la carretera

de weg

la carretilla

de kruiwagen

el carril

 

el carril-bici

het fietspad

el carrito

 

el carro

 

el carro LAm.

de auto

la carroza

 

la carta

de menukaart; de brief

el cartel

de poster

la cartelera

het billboard

la cartera

de aktetas, portefuille

la cartera LAm.

de handtas

el/la carterista

 

el cartero

 

el cartón

de doos

el cartucho

 

la cartulina

 

la casa

het huis

casado/a

getrouwd

casarse 26

trouwen

la cascada

de waterval

cascar 49

 

la cáscara

 

el casco

de helm

el casco protector

de veiligheidshelm

los cascos

de oortjes

casero/a

huiselijk

la caseta

het huisje

el casete

 

casi

bijna

la casilla

het vakje

el casino

de casino

el caso

het geval

la caspa

de roos

la castaña

de kastanje

castaño/a

kastanjebruin

las castañuelas

 

castellano/a

Castiliaans

el castellano

het Spaans

castigar 38

 

el castigo

 

la Castilla

Castile

el castillo

het kasteel, de burcht

la casualidad

he toeval

catalán/catalana

Catalaans

el catálogo

 

la Cataluña

Catalonië

la catarata

de waterval

el catarro

 

la catástrofe

 

la catedral

de kathedraal

el/la catedrático/a

 

la categoría

 

católico/a

Katholiek

catorce

veertien

el caucho

 

la causa

de oorzaak

causar 26

veroorzaken

el cava

de cava (mousserende witte wijn)

cavar 26

 

la caverna

 

la caza

 

el/la cazador/a

 

la cazadora

 

cazar 14

jagen

el cazo

 

la cazuela

 

el CD (disco compacto)

de cd

el cebo

 

la cebolla

de ui

la cebolleta

 

la cebra

de zebra

ceder 9

 

el cederom

de CR-ROM

la ceguera

de blindheid

la ceja

 

la celda

de gevangeniscel

celebrar 26

vieren

los celos

de jaloerzie

celoso/a

jaloers

la célula

de cel (biologie)

el cementerio

de begraafplaats

el cemento

het cement

la cena

het avondeten

cenar 26

avondeten, dineren

el cenicero

de asbak

la ceniza

de as

la censura

 

el centavo

de dollarcent

el centímetro

de centimeter

el céntimo

de eurocent

central

 

la centralita

 

céntrico/a

centraal gelegen

el centro

het centrum

el centro comercial

het winkelcentrum

el centro médico

het ziekenhuis

centroamericano/a

Centraal-Amerikaans

cepillar 26

poetsen

el cepillo

de borstel

la cera

de was

la cerámica

de keramiek

cerca (de)

dichtbij, in de buurt

las cercanías

de buitenwijken

cercano/a

nabijgelegen, in de buurt

el cerdo

 

el cereal

het graan(product)

los cereales

de ontbijtgranen

el cerbro

de hersenen

la ceremonia

de ceremonie

la cereza

de kers

la cerilla

de lucifer

cero

nul

el cerquillo LAm.

 

cerrado/a

gesloten

la cerradura

het slot

cerrar 40

sluiten

el certificado

het certificaat

certificado/a

gecertificeerd

la cervecería

het biercafé

la cerveza

het bier

cesar 26

ophouden

el césped

het gras

la cesta

 

el cesto

 

el chaleco

 

el chaleco salvavidas

het reddingvest

el chalet

 

el champán

de champagne

el champiñón

de champignon

el champú

de shampoo

la chancleta

 

el chándal

 

el chantaje

 

la chapa

 

la chapa LAm.

het nummerbord

el chaparrón

 

la chaqueta

het jasje, colbert

la charca

 

el charco

 

la charcutería

 

la charla

 

charlar 26

kletsen

el chat

 

la chatarra

 

chatear 26

chatten

el/la chavo/a Mex.

de jongen/het meisje

el cheque

 

el chequeo

de check-up

chévere LAm. inf.

 

el chichón

 

el chicle

de kauwgom

chico/a

 

el/la chico/a

de jongen/het meisje

el chile

de chilipeper

el Chile

Chili

chileno/a

Chileens

chillar 26

 

la chimenea

 

el chimpancé

 

la China

China

la chincheta

 

chino/a

Chinees

la chirimoya

 

chirriar 22

 

el chisme

 

chismorrear 26

roddelen

el chiste

de grap

chocar 49

 

el choclo LAm.

de maïs

el chocolate

de chocola

la chocolatina

de chocoladereep

el/la chófer

de bestuurder, chauffeur

los chopitos

de gefrituurde inktvisjes

el choque

 

el chorizo

 

el churrito

 

el chorro

 

la choza

 

el chubasco

 

la chuleta

het koteletje

la chuleta de cordero a la brasa

de gegrilde lamskotelet

chulo/a inf.

 

chupar 26

 

el chupete

de speen

el churro

de gefrituurde deegslierten

la churrería

 

el/la cibernauta

de internetgebruiker

la cicatriz

het lidteken

el ciclismo

het wielrennen, fietsen

el/la ciclista

de wielrenner, fietser

el ciclo

de cyclus

el/la ciego/a

de blinde

ciego/a

blind

el cielo

de lucht; de hemel

cien

honderd

la ciencia

de wetenschap

la ciencia-ficción

de science-fiction

científico/a

wetenschappelijk

el/la científico/a

de wetenschapper

ciento

honderd

cierto/a

zeker

el ciervo

het hert

la cifra

het cijfer

el cigarrillo

de sigaret

el cigarro

de sigaret

la cigüeña

de ooievaar

la cima

de top

el cimiento

de fundering

cinco

vijf

cincuenta

vijftig

el cine

de bioscoop

cínico/a

cynisch

la cinta

de strook; het lint

la cintura

de taille

el cinturón

de riem

el circo

het circus

el circuito

de stroomkring

la circulación

het verkeer; de circulatie; de bloedsomloop

circular 26

(rond)rijden

el círculo

de cirkel

la circunferencia

de omtrek

la ciruela

de pruim

la cirugía

de chirurgie

el/la cirujano/a

de chirurg

el cisne

de zwaan

la cisterna

de tank, het reservoir

la cita

de afspraak, het afspraakje

citar 26

aanhalen, noemen

la ciudad

de stad

el/la ciudadano/a

de stedeling

civil

burger-, civiel

la civilización

de beschaving

civilizado/a

beschaafd

la clara

het eigeel

claro/a

duidelijk; licht (van kleur)

¡Claro!

Natuurlijk!; Zeker!

la clase

de les, klas

clásico/a

klassiek

la clasificación

 

clasificar 49

 

la clave

de code; de sleutel

la clavícula

het sleutelbeen

el clavo

de spijker

el clic

de klik

clicar 49

klikken

el/la cliente/a

de klant

el clima

het klimaat

climatizado/a

 

la clínica

 

clínico/a

klinisch

la cloaca

het riool

clonar 26

klonen

el cloro

het chloor

el club

de vereniging

el/la cobarde

 

cobarde

 

la cobaya

 

la cobija LAm.

de deken

cobrar 26

uitbetaald krijgen

el cobre

het koper

la cocaína

 

cocer 7

koken

el coche

de auto

el coche deportivo

de sportwagen

el cochino

 

el cocido

 

la cocina

de keuken, de kookkunst

cocinar 26

koken

el/la cocinero/a

de kok

el coco

 

el cocodrilo

 

el código

 

el codo

 

la codorniz

 

coger 8

pakken

cohibido/a

 

la coincidencia

de overeenkomst

coincidir (con) 59

overeenkomen (met)

cojear 26

 

el cojín

het kussen

cojo/a

 

la col

 

la cola

de staart

colaborar 26

 

el colador

 

colar 12

 

la colcha

 

el colchón

het matras

la colchoneta

 

la colección

de verzameling, collectie

coleccionar 26

verzamelen

el/la colega

 

el colegio

de school, het onderwijsinstituut

la coleta

de paardenstaart

colgado/a

 

el colgante

 

colgar 29

(telefoon) opleggen

colgarse 29

(computer) vastlopen

la coliflor

 

la colina

de heuvel

la colisión

 

el collar

de (hals)ketting

la colmena

 

el colmillo

 

colocar 49

plaatsen

la Colombia

Colombia

colombiano/a

Colombiaans

la colonia

de kolonie

colonizar 14

 

el color

de kleur

colorado/a

 

la columna

de kolom

la columna vertebral

de wervelkolom

el columpio

 

el coma

de coma

el combate

 

combinar 26

 

el combustible

 

la comedia

 

el comedor

de eetkamer

comentar 26

vertellen, zeggen

comenzar 20

beginnen

comer 9

eten

comercial

 

el/la comerciante

 

el comercio

 

el cometa

 

la cometa

 

cometer 9

begaan

cómico/a

 

la comida

het eten; de middagmaaltijd

las comillas

 

la comisaría

 

el comité

 

como

zoals, net … als, even … als

¿cómo?

hoe?

¿Cómo es que …?

Hoezo …?, Hoe komt het dat …?

como máximo

hoogstens, maximaal

como mínimo

minstens, minimaal

¡Cómo no!

Jazeker!

como si

 

la cómoda

 

la comodidad

het gemak

cómodo/a

comfortabel, gemakkelijk

compadecer 13

 

el/la compañero/a

de collega; de vriend/vriendin; de klasgenoot

el/la compañero/a de piso

de huisgenoot/huisgenote

el/la compañero/a de trabaji

de collega

la compañía

 

la comparación

 

comparar 26

vergelijken

compartir 59

delen

el compás

het kompas

compatible

 

compensar 26

 

la competencia

 

competente

 

la competición

 

competir 39

 

complacer 13

 

el complejo

 

completar 26

aanvullen; voltooien

completo/a

 

complicado/a

 

complicar 49

 

componer 42

 

el comportamiento

 

comportarse 26

 

las compras

de boodschappen

comprar 26

kopen

comprender 9

 

comprensivo/a

 

la compresa

 

el comprimido

 

el comprobante

 

comprobar 12

controleren

el compromiso

de afspraak, de verplichting

el computador LAm.

de computer

común

 

comunicar 49

 

la comunidad

 

la comunión

 

comunista

communistisch

con

met

con gas

met prik, met koolzuur

con mucho gusto

heel graag

¿con qué frecuencia?

hoe vaak?

concentrarse 26

 

concertar 40

 

la concha

 

la conciencia

 

el concierto

het concert

la conclusión

 

concurrido/a

 

el/la concursante

 

el concurso

de wedstrijd

el/la conde/esa

 

la condecoración

 

la condena

 

condenar 26

 

la condición

de voorwaarde

el condón

 

conducir 10

rijden, besturen

la conducta

 

el/la conductor/a

de bestuurder

conectar 26

 

el conejo

het konijn

la conexión

 

la conferencia

 

confesar 40

bekennen

el confeti

de confetti

la confianza

het vertrouwen

confiar 22

 

confidencial

 

confirmar 26

 

la confitería

 

el conflicto

 

conformarse 26

 

conforme

 

confortable

 

confundir 59

verwarren

la confusión

 

confuso/a

verward

congelado/a

ingevroren

el congelador

de vriezer

congelar 26

bevriezen, invriezen

congestionado/a

 

el congreso

 

el congreso médico

 

el conjunto

 

conmemorar 26

 

conmigo

met mij

el cono

 

conocer 13

leren kennen, kennen

el/la conocido/a

de kennis

el conocimiento

het bewustzijn; de kennis

conque

 

conquistar 26

 

el/la conquistador/a

 

consciente

 

la consecuencia

 

conseguir 51

bij elkaar krijgen; bereiken, behalen

el consejo

de raad

consentir 52

 

el/la conserje

 

conservador/a

 

conservar 26

bewaren

considerar 26

beschouwen

la consigna

 

consigo

met hem/haar/u

consistir (en) 59

bestaan (uit)

la consola

 

consolar 12

 

el consomé

de bouillon

el consonante

de medeklinker

constante

 

constantemente

 

constar 26

 

constipado/a

 

la constitución

de grondwet

la contrucción

 

el/la constructor/a

 

construir 11

bouwen

el consuelo

 

el/la cónsul

 

el consulado

 

la consulta

de chirurgie; de praktijk

consultar 26

 

la consumición

de consumptie

consumir 59

 

el consumo

 

la contabilidad

de accountancy

el/la contable

de accountant

contactar 26

 

el contacto

 

el contado

 

el/la contador/a LAm.

de accountant

el contador

de meter

contagiar 26

 

contagioso/a

 

la contaminación

de vervuiling; de besmetting

contaminar 26

vervuilen; besmetten

contar 12

vertellen; tellen

contener 54

bevatten

el contenido

 

contento/a

tevreden, blij

la contestación

 

el contestador

 

contestar 26

beantwoorden

contigo

met jou

el continente

 

continuamente

 

continuar 2

 

continuo/a

 

contra

tegen

el contrabando

 

contradecir 16

 

la contradicción

 

contrario/a

tegenovergesteld

la contraseña

het wachtwoord

contrastar 26

 

el contraste

 

contratar 26

 

el contrato

 

la contribución

 

contribuir 11

 

el/la contribuyente

de belastingbetaler

el control

 

controlar 26

in de gaten houden, beheersen

convencer 13

overtuigen

convencional

 

conveniente

 

convenir 57

 

el convento

het klooster

la conversación

 

convertir 52

veranderen

convocar 49

 

el coñac

de cognac

cooperar 26

 

la copa

het glas

la copia

 

copiar 26

 

el copo

 

el corazón

het hart

la corbata

de stropdas

el corcho

 

el cordel

 

el cordero

het lam(svlees)

el cordón

 

el coro

het koor

la corona

 

corporal

lichaams-

el corral

 

la correa

 

correcto/a

 

el/la corredor/a

 

corregir 19

verbeteren, corrigeren

el correo electrónico

de e-mail; het e-mailadres

los correos

de post

 (la oficina de) Correos

het postkantoor

correr 9

 

la correspondencia

 

corresponder 9

 

correspondiente

 

el/la corresponsal

 

la corrida

 

corriente

 

la corriente

de (elektrische) stroom

el corro

 

la corrupción

de corruptie

cortado/a

 

el cortado

 

cortar 26

snijden; knippen

el cortaúñas

 

el corte

het hof, de hofhouding

cortés

 

la cortesía

de beleefdheid

la corteza

 

la cortina

 

corto/a

kort

la cosa

de zaak; het ding

la cosecha

de oogst

cosechar 26

oogsten

coser 9

naaien

el cosmético

de make-up

la costa

de kust

el costado

de zij

costar 12

kosten

la Costa Rica

Costa Rica

costarricense

Costaricaans

costarriqueño/a

Costaricaans

el coste

 

la costilla

de rib

costoso/a

 

la costra

 

la costumbre

de gewoonte

la costura

 

cotidiano/a

alledaags, dagelijks

el cráneo

de schedel

la creación

de schepping

crear 26

scheppen, creëeren

creativo/a

 

crecer 13

 

el crecimiento

 

el crédito

 

la creencia

 

creer 31

geloven; denken

la crema

de crème

la crema de espárragos

de romige aspergesoep

la cremallera

de ritssluiting

el/la creyente

 

el/la crío/a

de baby; de jongen/meisje

el/la craido/a

 

criar 22

fokken

el crimen

 

el/la criminal

 

la crisis

 

el cristal

het glas; het kristal

cristiano/a

Christelijk

el Cristo

Christus

la crítica

 

criticar 49

 

crítico/a

kritisch

el cromo

 

crónico/a

 

cronometrar 26

 

el cronómetro

de stopwatch

la croqueta

de kroket

el cruasán

de croissant

el cruce

 

crucial

 

el crucifijo

 

el crucigrama

 

crudo/a

rauw; ruw

cruel

 

cruzar 14

overstappen

el cuaderno

het schrift

la cuadra

 

el cuadrado

het vierkant

cuadrado/a

vierkant

cuadrar 26

 

el cuadro

het kader; het schilderij

cual

welke

¿cuál?

welk(e)?

la cualidad

de kwaliteit

cualquier(a)

willekeurig, om het even

cuando

wanneer, toen

¿cuándo?

wanneer?

cuanto/a

 

¿cuánto/a?

hoeveel?

cuarenta

veertig

el cuarto

de kamer; het kwartier

el cuarto de baño

de badkamer

cuarto/a

vierde

cuatro

vier

cuatrocientos/as

vierhonderd

la Cuba

Cuba

cubano/a

Cubaans

la cubertería

 

cúbico/a

 

la cubierta

 

cubierto/a

 

el cubito de hielo

het ijsblokje

el cubo

 

cubrir 59

bedekken

la cucaracha

de kakkerlak

la cuchara

de lepel

la cucharada

de eetlepel

la cucharadita

het (thee)lepeltje

la cucharilla

de theelepel

el cucharón

 

cuchichear 26

fluisteren

la cuchilla

 

el cuchillo

het mes

el cucurucho

 

el cuello

de nek, hals

la cuenta

de rekening

el cuento

het verhaal

el cuento de hadas

het sprookje

la cuerda

 

el cuerno

 

el cuero

de huid

el cuerpo

het lichaam

el cuervo

de raaf

la cuesta

 

la cueva

de grot

el cuidado

de zorg

¡Cuidado!

Voorzichtig!, Pas op!

cuidadoso/a

 

cuidarse 26

voor zichzelf zorgen

la culebra

de slang

el culebrón

de (tv-)soap

el culo inf.

 

la culpa

de schuld

culpable

schuldig

cultivar 26

kweken

culto/a

 

la cultura

de cultuur

el culturismo

het body-building

la cumbre

 

el cumpleaños

de verjaardag

cumplir 59

 

la cuna

 

la cuneta

 

el/la cuñado/a

de zwager/schoonzus

el cupón

de voucher; het loterijbiljet

la cura

de behandeling, therapie

curar 26

genezen; behandelen

la curiosidad

de nieuwsgierigheid

curioso/a

eigenaardig, opmerkelijk; nieuwsgierig

la curita LAm.

 

el cursillo

 

el curso

de cursus; het studiejaar

la curva

 

cuyo/a

wiens/wier

D

(naar boven)

Spaans Nederlands

el dado

de dobbelsteen

las damas

het dammen

el damasco LAm.

de abrikoos

danés/esa

Deens

dañar 26

beschadigen; bezeren

el daño

de beschadiging, schade

dar 15

geven

dar la vuelta

omkeren

dar un paseo

een eindje wandelen

el dátil

de dadel

el dato

het gegeven

de

van, uit

de acuerdo

akkoord, afgesproken, oké

¿de dónde?

waarvandaan?

de momento

op het moment

De nada.

Niets te danken, Graag gedaan

¿De parte de quién?

Met wie spreek ik? (aan telefoon)

de pronto

ineens, plotseling

de repente

plotseling

de todo

van alles

¿de verdad?

Echt (waar)?, Werkelijk?

de vez en cuando

af en toe; van tijd tot tijd

debajo/a

onder-

debajo (de)

onder

el debate

 

debatir 59

 

deber 9

moeten

el deber

 

débil

 

la debilidad

 

debilitar 26

 

la década

het decennium

la decena

 

la decepción

 

decepcionar 26

 

decidido/a

 

decidir 59

besluiten, beslissen

el decimal

 

décimo/a

tiende

decir 16

zeggen

la decisión

de beslissing

la declaración

de verklaring

declarar 26

verklaren

la decoración

de woninginrichting

decorado/a

ingericht

el/la decorador/a

 

decorar 26

inrichten

dedicarse a 49

zich wijden aan

el dedo

de vinger

deducir 10

 

el defecto

het gebrek

defender 21

verdedigen

la defensa

de verdediging

el/la defensor/defensora

de verdediger/verdedigster

deficiente

 

la definición

 

definir 59

omschrijven

definitivo/a

 

defraudar 26

 

dejar 26

laten; achterlaten, overlaten (voor/aan); uitlenen

del

= de el

el delantal

 

delante (de)

voor (plaats)

delantero/a

voor-

el/la delegado/a

 

deletrear 26

spellen

el delfín

de dolfijn

delgado/a

slank, dun

delicado/a

 

delicioso/a

 

el/la delincuente

de misdadiger

el delito

de misdaad

la demanda

 

demás

 

demasiado/a

te veel; genoeg

demasiado

te

la democracia

 

democrático/a

 

el demonio

 

la demostración

 

demostrar 12

 

la densidad

 

denso/a

dik; zwaar

la dentadura

 

el dentífrico

de tandpasta

el/la dentista

de tandarts

dentro

binnen, in, erin

denunciar 26

 

el departamento

de afdeling

el departamento LAm.

de flat

el departamento de ventas

de verkoopafdeling

depender 9

 

dependiente

afhankelijk

el/la dependiente/a

de winkelbediende

el deporte

de sport

el/la deportista

de sporter

deportista

sportief

deportivo/a

sportief

el depósito

het reservoir

la depresión

 

deprimido/a

 

deprimir 59

 

deprisa

snel

la derecha

de rechterkant

el derecho

het recht

los derechos humanos

de mensenrechten

derecho/a

rechts, rechter-

derramar 26

 

derrapar 26

 

derretir 39

smelten

derribar 26

 

la derrota

 

derrotar 26

verslaan, overwinnen

desabrochar 26

 

el desacuerdo

 

desafiar 22

 

el desafío

 

desafortunado/a

 

desagradable

 

desagradecido/a

 

el desagüe

 

desahogarse 38

 

desanimado/a

 

desanimar 26

 

desaparecer 13

verdwijnen

la desaparición

de verdwijning

desaprovechar 26

 

desarrollar 26

ontwikkelen

el desarrolo

de ontwikkeling

el desastre

 

desastroso/a

 

desatar 26

 

desayunar 26

ontbijten

el desayuno

het ontbijt

descalzarse 14

 

descalzo/a

 

el descampado

de open ruimte

descansar 26

uitrusten, rust nemen

el descanso

 

el descapotable

 

descargable

downloadbaar

descargar 38

; downloaden

el descaro

 

descender 21

 

el/la descendiente

de afstammeling

el descenso

 

descolgar 29

 

descomponerse 42 LAm.

 

desconectar 26

 

la desconfianza

 

desconfiar 22

 

descongelar 26

 

el/la desconocido/a

de onbekende

desconocido/a

onbekend

descontar 12

 

descontetno/a

 

descremado/a

 

describir 59

beschrijven

la descripción

 

el descubierto

 

el descubrimiento

 

descubrir 59

ontdekken

el descuento

 

descuidado/a

 

descuidar 26

 

el descuido

 

desde

vanaf, sinds

desde adelante

vanaf nu aan

desde hace …

sinds … geleden

desde luego

in elk geval, nou ja

desdoblar 26

 

desear 26

wensen, graag willen

desechable

 

desembarcar 49

 

el desembarco

 

desempacar 49 LAm.

uitpakken

el/la desempleado/a

de werkeloze

desempleado/a

werkeloos

el desempleo

de werkeloosheid

desenchufar 26

 

desengañar 26

 

desenredar 26

 

desenrollar 26

 

desenroscar 49

 

desenvolverse 60

een gesprek voeren; converseren

el deseo

de wens

desequilibrado/a

 

desértico/a

woestijnachtig

desesperado/a

 

desesperar 26

 

desfavorable

 

el desfiladero

 

desfilar 26

 

el desfile

 

la desgana

 

desgastar 26

verslijten

el desgaste

de slijtage, erosie

la desgracia

 

desgraciado/a

erbarmelijk, schamel

deshabitado/a

onbewoond

deshacer 27

 

deshecho/a

 

el deshielo

de dooi

deshincharse 26

 

el desierto

de woestijn

desierto/a

 

la desilusión

de teleurstelling

desilusionar 26

teleurstellen

el desinfectante

 

desinfectar 26

 

desinflar 26

 

el desinterés

 

deslizarse 14

 

deslumbrar 26

 

desmayarse 26

flauwvallen

el desmayo

 

desmontar 26

 

desnatado/a

halfvol

desnudar 26

 

desnudo/a

naakt

desobedecer 13

 

desobediente

 

el desodorante

de deodorant

el desorden

 

desordenado/a

rommelig, ongeordend, slordig

la desorganización

 

desorganizado/a

ongeorganiseerd, slordig

desorientar 26

 

despabilar 26

 

despachar 26

 

el despacho

de werkkamer

despacio

langzaam

despectivo/a

 

la despedida

het afscheid

despedirse 39

afscheid nemen

despegar 38

 

el despegue

 

despejado/a

 

despejar 26

 

despellejar 26

 

la despensa

 

desperezarse 14

 

el desperfecto

 

el despertador

 

despertarse 40

ontwaken, wakker worden

el despido

 

despierto/a

 

despistado/a

verstrooid

despistar 26

 

el despiste

 

desplazar 14

 

desplegar 35

 

desplomarse 26

 

despreciar 26

 

despreocuparse 26

 

después

daarna, later

destacar 49

opvallen

el destapador LAm.

de flessenopener

destapar 26

 

desteñir 46

 

destinar 26

bestemmen

el destino

de (plaats van) bestemming

el destornillador

de schroevendraaier

destornillar 26

losschroeven

la destreza

 

destrozar 14

 

los destrozos

de schade

la destrucción

 

destruir 11

 

desvalijar 26

 

el desván

de zolder

la desventaja

het nadeel

la desviación

de omweg

desviar 22

 

el desvío

 

el detalle

het detail

detectar 26

 

el/la detective

 

detenerse 54

stoppen

el detergente

het wasmiddel

deteriorar 26

 

la determinación

 

determinado/a

 

determinar 26

vaststellen, bepalen

detestar 26

 

detrás

achter, erachter

la deuda

 

la devolución

 

devolver 60

teruggeven; braken

devorar 26

 

el día

de dag

el/la diabético/a

de diabeticus

el diablo

de duivel

el diagnóstico

 

diagonal

 

el dialecto

 

dialogar 38

 

el diálogo

 

el diamante

de diamant

el diámetro

de diameter

la diana

 

la diapositiva

 

diario/a

dagelijks

el diario

het dagboek

la diarrea

de diarree

dibujar 26

tekenen

el dibujo

de tekening

el diccionario

het woordenboek

dichoso/a

 

el diciembre

december

el dictado

 

el/la dictador/a

 

la dictadura

 

dictar 26

 

diecinueve

negentien

dieciocho

achttien

dieciséis

zestien

diecisiete

zeven

el diente

de tand

la dieta

 

diez

tien

la diferencia

het verschil

diferenciarse 26

verschillen

diferente

verschillend

difícil

 

la dificultad

 

dificultar 26

 

diga/dígame

Hallo (aan telefoon)

díganme

zegt u het maar

digerir 52

 

la digestión

de spijsvertering

digestivo/a

spijsverterings-

digital

 

la dignidad

 

digno/a

waardig

digo

ik zeg, ik bedoel

diluir 11

 

diluviar 26

 

el diluvio

 

la dimensión

 

diminuto/a

 

la dimisión

 

dimitir 59

 

la Dinamarca

Denemarken

dinámico/a

 

el dinero

het geld

el dinosaurio

de dinosaurus

el dios

de god

el Dios

God

el diploma

het diploma

la diplomacia

 

el/la diputado/a

 

la dirección

het adres; de richting

directo/a

direct, rechtstreeks

el/la director/a

 

el director de cine

de filmregisseur

el directorio

 

el directorio LAm.

het telefoonboek

diría (yo)

ik zou zeggen

dirigir 17

richten

discapacitado/a

gehandicapt

discar 49 LAm.

bellen (dial)

la disciplina

 

el disco

de schijf; de CD

el disco duro

de harde schijf

la discoteca

 

la discreción

 

discreto/a

 

la discriminación

 

la disculpa

 

disculpar 26

 

el discurso

 

la discusión

 

discutir 59

 

diseñar 26

ontwerpen

el/la diseñador/a

de ontwerper

el diseño

het design; de tekening

el disfraz

 

disfrutar 26

genieten

disgustado/a

 

disgustar 26

 

el disgusto

 

disimular 26

 

la disminución

 

el/la disminuido/a

 

disminuir 11

 

disolver 34

 

disolverse 34

 

disparar 26

 

el disparate

 

el disparo

 

disponer 42

 

disponer de 42

beschikken over

disponible

beschikbaar

dispuesto/a

bereid, beschikbaar

la disputa

 

el disquete

 

la distancia

de afstand

la distinción

het onderscheid

distinguido/a

chic

distinguir 59

onderscheiden

distinto/a

verschillend; duidelijk

la distracción

de afleiding

distraer 55

afleiden

distraído/a

verstrooid

la distribución

de verdeling

distribuir 11

verdelen, verspreiden

el distrito

het district

la diversión

het vermaak

diverso/a

verscheiden

divertido/a

leuk, grappig, vermakelijk

divertir 52

vermaken, amuseren

divertirse 52

zich amuseren, het leuk hebben

dividir 59

verdelen

divino/a

goddelijk

la división

de verdeling

divorciarse 26

scheiden

el divorcio

de echtscheiding

divulgar 38

onthullen

el DNI

= documento nacional de identidad (ID-kaart)

doblar 26

afslaan; dubbelvouwen; buigen

doble

dubbel

doce

twaalf

la docena

het dozijn

el/la doctor/a

de arts; de promovendus

el documental

de documentaire

el documento

het document

el dólar

de dollar

doler 34

pijn doen

el dolor

de pijn

el dolor de muelas

de kiespijn

doméstico/a

huishoudelijk

el domicilio

het woonhuis

dominar 26

beheersen

el domingo

zondag

dominicano/a

Dominicanas

el dominio

de beheersing; het gezag

don/doña

meneer/mevrouw

el don

de gave

el/la donante

de donor

el donativo

de donatie

donde

waar

¿dónde?

waar?

dorado/a

gouden

dormir 18

slapen

el dormitorio

de slaapkamer

el dorso

de rug

dos

twee

doscientos/as

tweehonderd

la dosis

de dosis

el dragón

de draak

el drama

het drama

dramático/a

dramatisch

la droga

de drug

el/la drogadicto/a

de drugsverslaafde

drogar 38

drogeren

drogarse 38

drugs gebruiken

la droguería

de drogisterij

la ducha

de douche

ducharse 26

douchen

la duda

de twijfel

dudar 26

twijfelen

dudoso/a

twijfelachtig

el/la dueño/a

de eigenaar

dulce

zoet

la duración

de tijdsduur

duradero/a

duurzaam

durante

tijdens; gedurende

durar 26

duren

el durazno LAm.

de perzik

la dureza

het uithoudingsvermogen

duro/a

hard; zwaar

E

(naar boven)

 

F

(naar boven)

Spaans Nederlands

la fábrica

de fabriek, industrie

el/la fabricante

de fabrikant

fabricar 49

fabriceren

la fachada

de façade

fácil

makkelijk

la facilidad

het gemak

facilitar 26

verschaffen

el factor

de factor

la factura

de rekening, factuur

facturar 26

in rekening brengen

la facultad

de faculteit

la faena

het werk

la falda

de rok

fallar 26

begeven, mislukken

fallecer 13

overlijden

el fallo

de fout, faal

falsificar 49

vervalsen

falso/a

onwaar; nagemaakt

la falta

het gebrek

faltar 26

ontbreken, missen

la fama

de reputatie

la familia

de familie, het gezin

familiar

familiair

famoso/a

beroemd

el/la fan

de fan

la fantasía

de fantasie

el fantasma

het spook

fantástico/a

fantastisch

la faringitis

de keelontsteking

el/la farmacéutico/a

de apotheker

la farmacia

de apotheek

el faro

de vuurtoren; de koplamp

el farol

de straatlantaarn

el fascículo

de tros

fascinante

fascinerend, boeiend

la fase

de fase

fastidiar 26

treiteren; ergeren

el fastidio

de ergernis

fatal

dodelijk; beroerd

el favor

de gunst

favorecer 13

begunstigen

favorito/a

lievelings-, favoriete

el fax

de fax

la fe

het geloof

el febrero

februari

la fecha

de datum

la felicidad

het geluk

¡Felicidades!

Gefeliciteerd!

la felicitación

de felicitatie

felicitar 26

feliciteren

feliz

gelukkig

¡Feliz cumpleaños!

Gefeliciteerd met je verjaardag!

el felpudo

de deurmat

feminino/a

vrouwelijk

fenomenal

geweldig

feo/a

lelijk

el féretro

de doodskist

la feria

de jaarmarkt; de beurs

la ferretería

de ijzerwinkel

el ferrocarril

de spoorweg

fértil

vruchtbaar

festejar 26 LAm.

feest vieren

el festival

het festival

festivo/a

feest-

el feto

de foetus

fiable

betrouwbaar

la fianza

de garantie

fiar 22

vertrouwen

la fibra

de vezel

la ficha

het kaartje

la ficha de inscripción

het inschrijfformulier

fichar 26

klokken, timen

el fichero

de ordner

el fideo

de noedel

la fiebre

de koorts

la fiera

het wilde dier

la fiesta

het feest

la figura

de gedaante; het gelaat

figurar 26

indenken, voorstellen

fijar 26

bevestigen; fixeren

fijo/a

vast, onbeweeglijk

la fila

de rij

el filete

de biefstuk

las Filipinas

de Filipijnen

filmar 26

filmen

filoso/a LAM

scherp

la filosofía

de filosofie

filtrar 26

filteren

el filtro

het filter

el fin

het einde, slot

el fin de semana

het weekend

el final

het einde, slot

finalmente

eindelijk, ten slotte

la finca

de boerderij

fingir 17

voorwenden; nabootsen

finlandés/esa

Fins

la Finlandia

Finland

fino/a

teer, tenger

la firma

de handtekening

firmar 26

ondertekenen

el/la fiscal

de officier van justitie

fisgar 38

snuffelen, speuren

la física

de natuurkunde

el/la físico/a

de natuurkundige

físico/a

natuurkundig

flaco/a

dun, mager

el flamenco

de flamenco

flamenco/a

Vlaams

el flan

het karamelpuddinkje

la flauta

de fluit

la flecha

de pijl

flexible

soepel, buigzaam

flojo/a

week; futloos

la flor

de bloem

el florero

de bloempot

la floristería

de bloemenwinkel

flotar 26

zweven; drijven

fluir 11

stromen, vloeien

fluorescente

fluorescent

la foca

de zeehond

el foco

het brandpunt; het zoeklicht

el foco LAm.

de koplamp

el folleto

de brochure

fomentar 26

bevorderen, stimuleren

el fondo

de diepgang; de bodem

el/la fontanero/a

de loodgieter

el footing

het joggen

forestal

bos-

la forma

de vorm; de manier

la formación

de training

formal

formeel, veranwoordelijk

formar 26

opleiden

la fórmula

de formule

el formulario

het formulier

forrar 26

bekleden, bedekken

el forro

de voering

la fortuna

het vermogen; de voorspoed

forzar 4

openbreken; afdwingen

la fosa

de grafkelder

el fósforo

de lucifer

el foto

de foto

la fotocopia

de fotokopie

la fotocopiadora

de kopieermachine

fotocopiar 26

fotokopiëren

la fotografía

de foto; de fotografie

el/la fotógrafo/a

de fotograaf

fracasar 26

mislukken

la fracción

het gedeelte

la fractura

de breuk

frágil

kwetsbaar, zwak

el fraile

de monnik

la frambuesa

de framboos

francés/esa

Frans

la Francia

Frankrijk

franco/a

oprecht, eerlijk

el frasco

het flesje, de flacon

la frase

de zin

el fraude

de fraude

la frazada LAm.

de deken

la frecuencia

de frequentie

frecuente

regelmatig

el fregadero

het aanrecht, de gootsteen

fregar 35

wassen, afwassen

freír 24

bakken; frituren

frenar 26

remmen

el freno

de rem

la frente

het voorhoofd

frente

tegenover

la fresa

de aardbei

fresco/a

vers, fris

el frigo

de koelkast

el frigorífico

de koelkast

el frijol LAm.

de boon

el frío

de kou

frío/a

koud

frito/a

gefrituurd

la frontera

de grens

frotar 26

schrobben, wrijven

fruncir 59

fronsen

frustrar

ontmoedigen, frustreren

la fruta

het fruit; de vrucht

la fruta del tiempo

het seizoensfruit

la frutería

de fruitwinkel

el fuego

het vuur

la fuente

de fontijn; de schaal

fuera (de)

buiten

fuera de

behalve

fuerte

sterk, hard, luid

la fuerza

de kracht

fugarse 26

ontsnappen

fui

ik was; ik ging

el/a fumador/a

de roker

fumar 26

roken

la función

de rol, functie

functionar 26

werken, het doen

el/la functionario/a

de ambtenaar

fundamental

noodzakelijk, onmisbaar

fundar 26

oprichten, stichten

fundirse 59

smelten

el funeral

de begrafenis

la furgoneta

het bestelbusje

la furia

de razernij

furioso/a

woedend, razend

el fusible

de zekering

el fusil

het geweer

el fútbol

het voetballen

el futbolín

het tafelvoetballen

el/la futbolista

de voetbalspeler

el futuro

de toekomst

futuro/a

toekomstig

G

(naar boven)

Spaans Nederlands

la gabardina

de regenjas

el gabinete

het kabinet

las gafas

de bril

el gajo

het deel

la galaxia

het sterrenstelsel

la galería

de gallerij

le Gales

Wales

galés/esa

Welsh

la Galicia

Galicië

gallego/a

Galicisch

la galleta

het koekje

la gallina

de kip

el gallo

de haan

galopar 1

galopperen

la gamba

de garnaal

el/la gamberro/a

de hooligan

la gana

de lust, het verlangen

la ganadería

de veeteelt

el ganado

het vee

el/la ganador/a

de winnaar

la ganancia

de winst

ganar 1

winnen; verdienen; verslaan

el gancho LAM

de hanger

la ganga

het mazzeltje

el gángster

de gangster

el/la ganso/a

de gans

el garabato

de krabbel

el garaje

de garage

la garantía

de garantie

garantizar 14 (z/c)

waarborgen

la garganta

de keel

la gargantilla

de ketting

la garúa LAM

de motregen

el gas

het gas

la gaseosa

de frisdrank

el gasóleo

de stookolie

la gasolina

de benzine

la gasolinera

het tankstation

gastado/a

versleten

gastar 1

uitgeven, besteden

el gasto

de kosten

gatear 1

kruipen

el/la gato/a

de kat

la gaviota

de zeemeeuw

el gay

de gay

el gazpacho

de gazpacho (koude tomatensoep)

el gel

de gel

el/la gemelo/a

de identieke tweeling

los gemelos

de verrekijker; de manchetknopen

el gen

het gen

la generación

de generatie

general

gebruikelijk; algemeen

generalizar 14 (z/c)

veralgemenen

generalmente

doorgaans

generar 1

opwekken

el género

het geslacht (taalk.)

la generosidad

de vrijgevigheid

generoso/a

vrijgevig, gul

genial

briljant, uitmuntend

el genio

het genie

los genitales

de geslachtsorganen

el genoma

het genoom

la gente

de mensen

la geografía

de geografie

la geología

de geologie

el/la gerente

de manager

el germen

de kiem

germinar 1

ontkiemen

el gesto

het gebaar

el Gibraltar

Gibraltar

gibraltareño/a

Gibraltarees

gigantesco/a

gigantisch

la gimnasia

de gymnastiek

el gimnasio

de sportschool

el/la gimnasta

de gymnast

la ginebra

de gin

el/la ginecólogo/a

de gynaecoloog

la gira

de tour

girar 1

afslaan, draaien

el girasol

de zonnebloem

el giro

de draai

la glándula

de klier

global

wereldwijd, globaal

el globo

de (lucht)ballon; de wereldbol

la glorieta

de rotonde

glotón/ona

gierig

gobernar 40 (e/ie)

regeren

el gobierno

de regering

el gol

het goal

el golf

het golfen

goloso/a

fijnproevend

el golpe

de slag, bons; de klap

golpear 1

raken, stoten

la goma

de gum, het elastiekje

gordo

vet, dik

el gorila

de gorilla

la gorrita

het mutsje, petje

el gorro

de hoed, hoofddeksel; de muts

el gorro de baño

de badmuts

la gota

de druppel; de jicht

gotear 1

besproeien

la gotera

het lek

gozar 14 (z/c)

genieten

grabar 1

opnemen (van geluid)

gracias

dank je/u wel, bedankt

gracioso

leuk, grappig

las gradas

het bordes

el grado

de graad

graduar 2 (u/ú)

afstuderen

la gráfica

de grafiek

el gráfico

de tabel

la gramática

de grammatica

el gramo

het gram

gran

= grande

la granada

de granaatappel

la Gran Bretaña

Groot-Brittanië

grande

groot

los grandes almacenes

het warenhuis

el granizado

de crushed ice drink

granizar 14 (z/c)

hagelen

el granizo

de hagel

la granja

de boerderij

el/la granjero/a

de boer/in

el grano

de korrel; de tarwe

la grapa

het nietje

la grapadora

de nietmachine

la grasa

het vet

graso/a

vettig

gratis

gratis

gratuito/a

gratis

grave

serieus

la gravedad

de zwaartekracht

la Grecia

Griekenland

greigo/a

Grieks

el grifo

de tap

el grillo

de krekel

el/la gringo/a LAm.

de Westerling

la gripe

de griep

gris

grijs

gritar 1

schreeuwen

el grito

de schreeuw

la grosella

de aalbes

grosero

onbeleefd, schofterig

el grosor

dikte, grootte

la grúa

de hijskraan

grueso

vettig, dik

el grumo

de klont

gruñir 46

zeuren, grommen

el grupo

de groep; de band

el/la guacho/a Zam

dakloos kind

el guante

de handschoen

guapo/a

knap, mooi

el/la guarda

de bewaker

guardar 1

bewaren, beschermen

el guardarropa

de klerenkast

la guardería

de crèche

la guardia

wacht

guay

cool

la guerra

de oorlog

la guerrilla

de guerrilla

el/la guía

de gids

guiar 22 (i/í)

gidsen

la guinda

de kers

la guindilla

de chilipeper

guiñar 1

knipogen

el guisante

de doperwt

guisar 1

koken

el guiso

het stoofpotje

la guitarra

de gitaar

el gusano

de worm, made

el guineo (Puerto Rico)

de banaan

gustar 1

bevallen, in de smaak vallen; leuk vinden

el gusto

de smaak; het genoegen

H

(naar boven)

Spaans Nederlands

el haba

de tuinboon

haber 25

hebben

las habichuelas

de bonen

hábil

handig

la habilidad

de vaardigheid

la habitación

de kamer, slaapkamer

la habitación doble

de tweepersoonskamer

el/la habitante

de inwoner

habitar 26

wonen

el hábito

de gewoonte

el habla f

het praten

el/la hablador/a

de kletskous

las habladurías

de roddels

hablar 26

spreken, praten

hace …

… geleden

hacer 27

doen; maken

hacer amigos

vrienden maken

hacer deporte

sporten, aan sport doen

hacer la compra

boodschappen doen

hacer gárgaras

gorgelen

hacerse

worden

hacerse tarde

laat worden

hacia

naar, richting

el hada

het sprookje

halagar 38

slijmen; vleien

hallar 26

vinden

el hambre

de honger

la hamburguesa

de hamburger

el hámster

de hamster

la harina

het meel, de bloem

harto/a

verzadigd, vol

hasta

tot

¡Hasta luego!

Tot straks!

¡Hasta mañana!

Tot morgen!

¡Hasta pronto!

Tot snel!

hay

er is/zijn

hay que

men moet

helado/a

bevroren

el helado

het ijs(je)

helar 40

bevriezen, vriezen

el helecho

de varen

el helicóptero

de helicopter

hembra

vrouwelijk

heredar 26

erven

la herencia

de erfenis

la herida

de wond, verwonding

herido/a

gewond, verwond

herir 52

verwonden

el/la hermano/a

de broer/zus

el/la hermanastro/a

de stiefbroer/zus

hermoso/a

mooi; prachtig

el héroe

de held

la heroína

de heroine

el/la heroinómano/a

de heroineverslaafde

la herradura

het hoefijzer

la herramienta

het gereedschap

hervir 52

koken (van water)

heterosexual

heteroseksueel

el hielo

het ijs

la hierba

het kruid; het gras

la hierbabuena

de munt

el hierro

het ijzer

el hígado

de lever

la higiene

de hygiëne

higiénico/a

hygiënisch

el higo

de vijg

el/la hijo/a

de zoon/dochter

el/la hijastro/a

de stiefzoon/dochter

la hilera

de rij, lijn

el hilo

de daad

el himno nacional

het volkslied

el/la hincha

de fan

hinchado/a

gezwollen

el hipermercado

de XL-supermarkt

el hipo

de hik

hipócrita

hypocriet

la hipoteca

de hypotheek

el/la hispanohablante

de spreker van Spaans

hispanohablante

Spaans sprekend

la historia

de geschiedenis; het verhaal

histórico/a

historisch

la historieta

het stripverhaal

el hobby

de hobby

el hockey

het hockey

el hogar

thuis, huis; de haard

la hoguera

het vreugdevuur

la hoja

het blad, blaadje

¡Hola!

Hallo!

la Holanda

Holland

holandés/esa

Nederlands

holgazán/ana

lui

el hollín

het roet

el hombre

de man

el hombro

de schouder

el homenaje

het eerbetoon

homosexual

homoseksueel

hondo/a

diep

la Honduras

Honduras

hondureño/a

Hondurees

la honestidad

de eerlijkheid

honesto/a

eerlijk

el hongo

de schimmel

el hongo LAm.

de paddenstoel

el honor

de eer

honrado/a

eerlijk

la hora

het uur; de tijd (van de klok)

las horas extra

de overuren

el horario

de openingstijden, werktijden; het rooster

la horchata

de amandelmelk

horizontal

horizontaal

el horizonte

de horizon

la hormiga

de mier

el hormigón

het beton

el hormigueo

de jeuk

el horno

de oven

el horno microondas

de magnetron

el horóscopo

de horoscoop

la horquilla

de haarspeld

horrible

verschrikkelijk

el horror

de afschuw

horroroso

afschuwelijk

la hortaliza

de groente

hospedarse 26

logeren

el hospital

het ziekenhuis

la hospitalidad

de gastvrijheid

el hostal

het kleine hotel

el hotel

het hotel

el hotel de cinco estrellas

het vijfsterrenhotel

hoy

vandaag

hoy en día

tegenwoordig, vandaag de dag

hueco/a

leeg

el hueco

de holte, opening

la huella

het voetspoor

el/la huérfano/a

de wees

el huerto

de moestuin; de boomgaard

el hueso

het bot; de pit

el/la huésped

de gast

el huevo

het ei

la huida

de vlucht, ontsnapping

huir 11

vluchten, ontsnappen

la humanidad

de mensheid

humano

menselijk

la humareda

de rookwolk

la humedad

de (lucht)vochtigheid

húmedo/a

vochtig, klam

humilde

bescheiden

el humo

de rook

el humor

het humeur

hundir 59

verzakken; verdrinken

el huracán

de orkaan

hurgar 38

porren, peuteren

¡Huy!

Ach!

I

(naar boven)

 

J

(naar boven)

Spaans Nederlands

el jabón

de zeep

la jaiba LAm.

de krab

jalar 1 LAm.

trekken, nemen

jamás

nooit

el jamón

de ham

el jamón serrano

de gedroogde rauwe ham

el Japón

Japan

japonés/esa

Japans

el jarabe

de siroop

el jarabe para la tos

de hoestdrank

el jardín

de tuin

el/la jardinero/a

de tuinier

la jarra

het kopje, de bierpul

el jarro

de kan

la jaula

de kooi, het hok

el jazz

de jazz

el/la jefe/a

de chef/cheffin

el jefe de personal

de personeelschef

el jefe del departamento de ventas

de chef van de verkoopafdeling

el jerez

de sherry

la jeringuilla

de injectiespuit

el jersey

de trui

la jirafa

de giraffe

la jornada

de werkdag

el/la joven

de jongere

joven

jong

los jóvenes

de jeugd

la joya

het sieraad

la joyería

de juwelierszaak

la jubilación

het pensioen

el/la jubilado/a

de gepensioneerde

jubilarse 1

met pensioen gaan

la judía

de boon

la judía blanca

de boon

la judía verde

de boon

el/la judío/a

de Jood

judío/a

Joods

el judo

de judo

el juego

het spel; het gokken

el jueves

donderdag

el/la juez/a

de rechter

el/la jugador/a

de speler

jugar 29

spelen

el jugo

de jus, het sap

el juguete

het speelgoed

el juicio

het oordeel

el julio

juli

la jungla

de jungle

el junio

juni

la junta

de vergadering, bijeenkomst

juntar 1

samenbrengen

juntos

samen

jurar 1

zweren, een eed afleggen

la justicia

de rechtvaardigheid

justficar 49 (c/qu)

rechtvaardigen

justo

precies; juist, eerlijk

juvenil

jongeren-, jeugdig

la juventud

de jeugd

el juzgado

de rechtbank

juzgar 38 (g/gu)

beoordelen, rechtspreken

K

(naar boven)

Spaans Nederlands

el kilo

het kilo

el kilómetro

de kilometer

el kiosco

de kiosk

L

(naar boven)

Spaans Nederlands

la

de

las

de; ze, hen (vrouwelijk)

el labio

de lip

la labor

het werk

laboral

werken, op werk

el laboratorio

het laboratorium

la laca

de haarlak

el lácteo

het zuivelproduct

lácteo/a

zuivel-, melk-

la ladera

de helling

el lado

de kant, zijde

ladrar 26

blaffen

el ladrillo

de baksteen

el/la ladrón/a

de dief, overvaller

el lagarto

de hagedis

el lago

het meer

la lágrima

de traan

la laguna

het meertje; de lacune

lamentar 26

betreuren, spijten

lamer 9

likken

la lámpara

de lamp

la lana

de wol

la lancha

de motorboot

la langosta

de kreeft

el langostino

de langoustine

lanzar 14

gooien, lanceren

el lapicero

het potlood

la lápida

de grafsteen

el lápiz

het potlood

largo/a

lang

el láser

de laser

la lástima

het medelijden

la lata

het blik

lateral

zij-, lateraal

el latido

het geklop

el látigo

de zweep

el latín

het Latijn

la Latinoamérica

Latijns-Amerika

latinoamericano/a

Latijns-Amerikaans

latir 59

kloppen

el laurel

de laurier

el lavabo

de wastafel; het toilet

el lavado

de was

la lavadora

de wasmachine

la lavandería

de wasserij

los lavaplatos

de vaatwasser

lavar 26

wassen

los lavavajillas

de vaatwasser

el lazo

de knoop; de strik

le

(aan) hem/haar/u

la lealtad

de trouw

la lección

de les

la leche

de melk

la lechuga

de (krop)sla

el/la lector/a

de lezer

la lectura

de leesvoer

leer 31

lezen

legal

wettelijk, legaal

la legumbre

de peulvrucht

leído

gelezen

lejano/a

ver; vroeger

la lejía

het bleekwater

lejos (de)

ver weg (van)

la lencería

de lingerie

la lengua

de tong; de taal

el lenguado

de zeetong

el lenguaje

de taal

la lente

de lens

la lenteja

de linze

los lentes LAm.

de bril

la lentilla

de contactlens

lento/a

langzaam

la leña

het brandhout

el león

de leeuw

la leona

de leeuwin

el leopardo

de luipaard

los leotardos

de maillot

les

aan hen/u (meervoud)

la lesbiana

de lesbiënne

la lesión

het letsel; de blessure

lesionado/a

gewond

la letra

de letter; de liedtekst

el letrero

het plakkaat

levantar 26

optillen; opheffen

levantarse 26

opstaan

leve

licht (van gewicht)

la ley

de wet

liar 22

bijeenbinden

liberal

liberaal

liberar 26

bevrijden

la libertad

de vrijheid

la libra

de pond

la libra esterlina

de pond sterling

librarse 26

ontsnappen

libre

vrij

la librería

de boekwinkel; de boekenkast

la libreta

het schrift

el libro

het boek

la licencia

de vergunning

el/la licenciado/a

de doctorandus

la licenciatura

het licentiaat

el licor

de likeur

el/la líder

de leider

la liebre

de haas

la liga

de competitie; de maretak

ligar 38

bij elkaar passen; vastbinden

ligero/a

licht (van gewicht)

lila

lila, lichtpaars

la lima

de limoen

limitar 26

begrenzen

el límite

de grens

el limón

de citroen

la limonada

de limonade

el limpiaparabrisas

de ruitenwisser

limpiar 26

schoonmaken, schoonvegen

limpio/a

schoon

lindo/a

mooi

lindo/a LAm.

fijn

la línea

de lijn

el lino

het linnen

la linterna

de lantaarn

el lío

de rommel

la liquidación

het smelten; de afbetaling

líquido/a

vloeibaar

el líquido

het contante geld

la Lisboa

Lissabon

liso/a

glad; steil (haar)

la lista

de lijst

listo/a

klaar, gereed; slim

la litera

het stapelbed

la literatura

de literatuur

el litro

de liter

la llaga

de zweer

la llama

de vlam

la llamada

het telefoongesprek

llamar 26

(op)bellen; roepen

llamarse 26

heten

llano/a

plat, vlak

la llave

de sleutel

el llavero

de sleutelhanger

la llegada

de aankomst; de finish

llegar 38

aankomen

llenar 26

vullen, invullen

llenísimo/a

heel erg vol, propvol

lleno/a

vol

llevar 26

meebrengen; dragen (kleding, haarstijl, etc.); bevatten

llevarse 26

met elkaar opschieten

llevarse de 26

meenemen uit

llorar 26

huilen

llover 32

regenen

lloviznar 26

motregenen

la lluvia

de regen

lluvioso/a

regenachtig

lo

hem, het

lo siento

het spijt me

lo mismo

hetzelfde

el lobo

de wolf

local

plaatselijk

el local

de ruimte, het lokaal; de kroeg

la localidad

de stad; de zitplek

localizar 14

opsporen

la loción

de lotion

el/la loco/a

de gek

la locura

de waanzin

lógico/a

logisch

lograr 26

bereiken, verkrijgen

la lombriz

de worm

el lomo

de onderrug; de ossenhaas

la loncha

de plak

el Londres

Londen

la longitud

de lengte

el loro

de papegaai

los

ze, hen

los/las dos

allebei, alletwee

la lotería

de loterij

la lucha

de strijd, het gevecht

luchar 26

strijden, vechten

lucir 10

schitteren, stralen

luego

later; daarna, vervolgens

el lugar

de plaats, plek

el lujo

de luxe

lujoso/a

luxueus

luminoso/a

licht, met veel licht

la luna

de maan

el lunar

de mol

el lunes

maandag

la lupa

het vergrootglas

el Luxemburgo

Luxemburg

la luz

het licht; de elektriciteit

M

(naar boven)

 

N

(naar boven)

Spaans Nederlands

nacer 13

geboren worden

el nacimiento

de geboorte

la nación

de staat, het land

nacional

nationaal

la nacionalidad

de nationaliteit

el nacionalismo

het nationalisme

nada

niets, helemaal niet

nadar 26

zwemmen

nadie

niemand

el naipe

de speelkaart

las nalgas

de billen, kont

la nana

het slaapliedje

la naranja

de sinaasappel

naranja

oranje

el narcotráfico

de drugshandel

la nariz

de neus

la narración

het verhaal

narrar 26

vertellen

la nata

de slagroom

la natación

het zwemmen

natal

thuis, geboorte-

las natillas

de vla

natural

natuurlijk

la naturaleza

de natuur

el naufragio

het schipswrak

la náusea

de misselijkheid

náutico/a

nautisch

la navaja

het zakmes

la nave

het schip

el navegador

de internetbrowser

navegar 38

varen; internetten, surfen

la Navidad

Kerstmis

la neblina

de mist

necesario/a

nodig

la necesidad

de noodzaak, behoefte

necesitar 26

nodig hebben

negar 35

ontkennen, weigeren

negativo/a

negatief

la negociación

de onderhandeling

negociar 26

onderhandelen

el negocio

het bedrijf, de zaak

negro/a

zwart

el nervio

de zenuw

nervioso/a

nerveus

el neumático

de band

neutral

neutraal, onpartijdig

nevar

sneeuwen

la nevera

de koelkast

ni

noch

la Nicaragua

Nicaragua

nicaragüense

Nicaraguaans

el nido

het nest

la niebla

de mist

el/la nieto/a

het kleinkind, de kleinzoon/-dochter

la nieve

de sneeuw

ningún

= ninguno

ninguno/a

niemand, geen (enkel)

el/la niño/a

het kind, het jongetje/meisje

la niñera

het kindermeisje

la niñez

de jeugd

el nitrógeno

de stikstof

el nivel

het niveau

no

nee, niet

no hay de qué

Niets te danken, Graag gedaan

la noche

de nacht

la Nochebuena

kerstavond

la Nochevieja

Oudejaarsavond

nocturno/a

nachtelijk, nacht-

nomás LAM

net, slechts

nombrar 26

noemen, benoemen

el nombre

de naam; de voornaam

la nómina

de loonstrook

el noreste

het noordoosten

la norma

de regel

normal

normaal, gewoon

normalmente

normaliter, meestal

el noroeste

het noordwesten

el norte

het noorden

norteamericano/a

Amerikaans (uit VS)

nos

ons

nosotros/as

we, ons

la nota

de aantekening; het schoolcijfer

notar 26

opmerken

la noticia

het nieuws

notificar 49

inlichten

el/la novato/a

de beginner

novicientos/as

negenhonderd

la novela

de roman

noveno/a

negende

noventa

negentig

el noviazgo

de relatie

el noviembre

november

el/la novio/a

de vaste vriend/vriendin; de verloofde

la nube

de wolk

nublado/a

bewolkt

nublarse 26

bewolkt raken

la nuca

de hals

nuclear

nucleair, kern-

el nucléo

de kern

el nudo

de knoop

la nuera

de schoondochter

nuestro/a

onze/ons

nuevamente

opnieuw, nog een keer

nueve

negen

nuevo/a

nieuw

la nuez

de noot; de walnoot; de adamsappel

el número

het getal, nummer

numeroso/a

talrijk

nunca

nooit

Ñ

(naar boven)

Hier zijn geen woorden die met deze letter beginnen.

O

(naar boven)

Spaans Nederlands

o

of

obedecer 13

gehoorzamen

obediente

gehoorzaam, onderdanig

obeso/a

obees; zwaarlijvig

el obispo

de bisschop

la objeción

het bezwaar

el objetivo

het doel, de intentie

el objeto

het voorwerp

la obligación

de verplichting, plicht

obligar 38 (g/gu)

dwingen; verplicht stellen

obligatorio

verplicht

la obra

het werk, oeuvre

el/la obrero/a

de arbeider

la obsequio

het cadeau

la observación

de opmerking, waarneming

el/la observador/a

de waarnemer

observar 1

opmerken, waarnemen

la obsesión

de obsessie

obsesionar 1

obsederen

el obstáculo

het obstakel

obstinado/a

eigenwijs

obstinarse 1

aanhouden

obtener 54

behalen; verkrijgen; bemachtigen

obvio/a

overduidelijk

la oca

de gans

la ocasión

de gelegenheid, kans

ocasionar 1

veroorzaken

occidental

westelijk

el occidente

het westen

el océano

de oceaan

ochenta

tachtig

ocho

acht

ochocientos/as

achthonderd

el ocio

de vrije tijd

octavo/a

achtste

el octubre

oktober

el/la oculista

de oogarts

ocultar 1

verbergen, achterhouden

la ocupación

de bezigheid; het beroep

ocupado

druk

ocupar 1

bewonen; bezighouden, betrekken; bezetten

ocurrir 59

gebeuren, plaatsvinden

odiar 1

haten

el odio

de haat

el oeste

het westen

ofender 9

kwetsen, beledigen

la ofensa

de belediging

la oferta

het aanbod, de aanbieding

la oferta de viaje

de reisaanbieding

oficial

officieel

la oficina

het kantoor

la oficina de turismo

het VVV-kantoor

el oficio

de functie

ofrecer 13

aanbieden, trakteren

el oído

het gehoor; het oor

oiga

luistert u eens, moet u horen

oír 36

horen, luisteren naar

ojalá

Ik hoop, als alleen

las ojeras

de wallen

el ojo

het oog

la ola

de golf

oler 37

ruiken

el olfato

de reuk

las Olimpiadas

de Olympische Spelen

la oliva

de olijf

el olivo

de olijfboom

el olor

de geur

olvidar 1

vergeten, achterlaten

el ombligo

de navel

omitir 59

weglaten

once

elf

la onda

de golf

ondear 1

vliegen

ondulado

golvig

la ONU

de VN

la opción

de optie

la ópera

de opera

la operación

de operatie

operar 1

opereren

operarse 1

geopereerd worden

opinar 1

van mening zijn, zijn mening geven

la opinión

de mening

oponerse 42

weerstaan, zich verzetten

la oportunidad

de kans, mogelijkheid

optar 1

kiezen, stemmen

optativo/a

vrijwillig, optioneel

la óptica

de opticien

el optimismo

het optimisme

el/la optimista

de optimist

óptimo/a

optimaal

opuesto/a

tegenovergesteld

el/la orador/a

de spreker

oral

mondeling, oraal

el orden

orde, volgorde

la orden

het bevel

ordenado

opgeruimd, netjes

el ordenador

de computer

el ordenador portátil

de laptop

ordenar 1

opruimen; instrueren, bevelen

ordeñar 1

melken

ordinario/a

gebruikelijk, gewoon

la oreja

het oor

la Organización de las Naciones Unidas

de Verenigde Naties

organizar 14 (z/c)

organiseren

el órgano

het orgaan

el orgullo

de trots

orgulloso/a

trots

el oriente

het oosten

el origen

de oorsprong

original

origineel

la orilla

de kust, oever

la orina

de urine

orinar 1

plassen, urineren

el oro

het goud

la orquesta

het orkest

la ortografía

de spelling

la oruga

de rups

os

jullie

oscilar 1

fluctueren

oscurecer 13

verduisteren

la oscuridad

de duisternis

oscuro/a

donker

el oso

de beer

la ostra

de oester

el otoño

de herfst

otro/a

(een) ander(e), nog één

ovalado

ovaal

la oveja

het schaap

el ovillo

de bol

el oxígeno

de zuurstof

oye

luister, hoor eens, zeg …

P

(naar boven)

 

Q

(naar boven)

Spaans Nederlands

que

dat; dan (vergelijking)

¿qué?

wat?, wat voor?

¡Que cumplas muchos más!

Nog vele jaren!

¿Qué hay?

Wat is er?

¡Qué pena!

Wat jammer!

¿Qué tal?

Hoe gaat/ging het?

¡Que te mejores!

Beterschap!

el quebrado

het stuk, deel

quebrar 40 (e/ie)

failliet gaan

quebrarse 40 (e/ie) LAM

breken

quedar 1

afspreken

quedarse

blijven

el quehacer

de hobby

la queja

de klacht

quejarse 1

klagen

quemado/a

verbrand, aangebrand

la quemadura

de brandwond

quemarse 1

verbranden

querer 44

willen; houden van

querido/a

lief, beste, dierbaar

la quesadilla

de maïspannenkoek met kaasvulling

el queso

de kaas

¿quién?

wie?

quieto/a

stil

la química

de scheikunde

el/la químico/a

de scheikundige

químico/a

scheikundig

quince

vijftien

el/la quinceañero/a

de tiener

la quincena

(over) twee weken

quinientos/as

vijfhonderd

quinto/a

vijfde

el quiosco

de kiosk

el quirófano

de operatiekamer

quirúrgico/a

chirurgisch

quitar 1

verwijderen; afnemen

quizá(s)

misschien

R

(naar boven)

Spaans Nederlands

la rabia

de hondsdolheid

el rabo 

de staart

la ración

de portie

racionar 26

rantsoeneren

el racismo

het racisme

la radiación

de straling

la radiactividad

de radioactiviteit

radioactivo/a

radioactief

el radiador

de radiator

la radio

de radio

el radio

het spaakbeen

la radiografía

de röntgenfoto

el raíl

het spoor

la raíz

de wortel

la raja

de barst

rajarse 26

barsten

rallar 26

raspen

la rama

de tak

el ramo (de flores)

de bos bloemen

la rana

de kikker

el rancho

de ranch

el rango

de rank

la ranura

de sleuf

rapar 26

scheren

el rape

de zeeduivel

rápidamente

snel

rápido/a

snel

raptar 26

kidnappen

el rapto

de kidnapping

la raqueta

het tennisracket

raramente

zelden

raro/a

vreemd, raar

el rascacielos

de wolkenkrabber

rascar 49

krabben

rasgar 38

verscheuren

el rasguño

de krabwond, schram

el rastro

het spoor

rasurarse 26 LAm.

zich scheren

la rata

de rat

el rato

het poosje, tijdje

el ratón

de muis

la raya

de lijn, streep

rayar 26

doorstrepen; stralen

el rayo

de bliksem; de straal

los rayos X

de röntgenstraling

la raza

het ras

la razón

de reden

la reacción

de reactie

reaccionar 26

reageren

el reactor

de reactor

real

werkelijk; koninklijk

la realidad

de werkelijkheid

realista

realistisch

realizar 14

uitvoeren

realmente

inderdaad

la rebaja

de korting

rebajar 26

verminderen; afprijzen

la rebanada

het sneetje

el rebaño

de kudde

la rebeca

de jas

rebelarse 26

 

el rebelde

de opstandeling

rebobinar 26

 

rebotar 26

terugkaatsen

el recado

de boodschap, het bericht

la recaída

 

recalcar 49

benadrukken

el recambio

 

recargar 38

 

el recargo

 

recaudar 26

 

la recepción

 

el/la recepcionista

de receptionist/receptioniste

el receptor        

 

la recesión         

 

la receta             

het recept

recetar 26          

 

rechazar 14       

 

rechoncho/a     

 

recibir 59           

ontvangen, krijgen

el recibo             

 

el reciclaje         

 

reciclar 26         

 

recién   

 

reciente              

 

recientemente  

recentelijk, kortgeleden

el recipiente      

de kom

el recital             

 

recitar 26           

 

reclamar 26       

 

el reclamo LAm.              

de klacht

el recogedor     

 

recoger 8           

verzamelen, inzamelen; meenemen; ophalen

la recogida        

 

la recomendación           

de aanbeveling

recomendar 40

aanbevelen

la recompensa  

 

reconocer 13    

erkennen; herkennen

el reconocimiento          

 

la reconquista   

 

reconstruir 11  

 

el récord            

 

recordar 26       

zich herinneren

recorrer 9          

reizen door

recortar 26        

 

recostarse 12    

 

el recreo            

 

la recta

de rechte lijn

rectangular        

rechthoekig

el rectángulo    

de rechthoek

recto/a

recht, rechtdoor

el recuadro

 

el recuerdo        

de herinnering; de groet

la recuperación

 

recuperar 26     

herstellen

el recurso          

het hulpmiddel

la red    

 

la redacción      

 

redactar 26       

 

el/la redactor/a

 

redondo/a         

 

la reducción      

 

reducir 10          

 

reembolsar 26  

 

el reembolso     

 

reemplazar 14  

 

la referencia      

 

el referéndum   

 

referente           

 

referirse 52       

betreffen; doelen op

la refinería         

 

reflejar 26          

 

el reflejo            

 

reflexionar 26   

 

reflexivo/a         

 

la reforma         

 

reformar 26      

 

el refrán             

 

refrescante        

 

refrescar 49      

 

el refresco         

de frisdrank

el refrigerador  

 

el/la refugiado/a            

de vluchteling

refugiarse 26    

 

el refugio           

het onderdak

la regadera        

 

regalar 26          

cadeau geven

el regaliz            

 

el regalo            

het cadeau

regañar 26         

 

regar 35             

 

la regata            

 

ragatear 26       

 

el régimen         

het dieet

la región             

 

regional              

 

registrar 26       

 

el registro          

 

la regla

 

el reglamento   

 

regresar 26        

teruggaan, terugkeren

el regreso          

 

regulable            

 

regular 

matig, gemiddeld

rehacer 27         

 

la reina

de koningin

el reinado          

 

reinar   

heersen

el reino

 

el Reino Unido  

het Verenigd Koninkrijk

reírse 45            

lachen

la reja   

 

la relación          

 

relacionar 26    

verbinden

relajado/a          

ontspannen

relajante            

 

relajar 26           

 

relajarse 26       

zich ontspannen

el relámpago    

 

relativamente   

 

relativo/a           

 

el relato             

 

la religión          

 

religioso/a         

 

el rellano           

 

rellenar 26         

vullen

relleno/a            

gevuld

el reloj 

het horloge

la relojería         

 

relucir 10           

 

remar 26            

roeien

remediar 26      

 

el remedio         

het (genees)middel; de remedie

el remite            

 

el/la remitente 

 

el remo

het roeien

remojar 26        

 

la remolacha     

 

remolcar 49      

 

el remolque       

 

remover 34       

 

el renacuajo      

 

el rencor            

 

rendido/a           

 

la rendija            

 

rendir 39            

 

el renglón          

 

el reno 

het rendier

renovable          

vernieuwbaar

renovar 12        

vernieuwen, renoveren

la renta

 

rentable             

 

reñido/a             

 

reñir 46

 

la reparación     

 

reparar 26         

 

repartir 59         

uitdelen

el reparto          

 

repasar 26         

 

el repaso            

 

repente              

 

repentino/a       

 

repetidamente  

herhaaldelijk

repetir 39          

herhalen

repetitivo/a       

herhalend

la repisa             

 

el repollo           

 

el reportaje       

 

el reposacabezas            

de hoofdsteun

la reposicón      

 

repostar 26       

 

la repostería      

 

el/la representante        

 

representar 26 

 

representativo/a             

 

reprobar 12 LAm.           

falen

la reproducción

 

reproducirse 10              

 

el reptil het reptiel

 

la república        

de republiek

la República Dominicana             

Dominicaanse Republiek

republicano/a   

republikeins

el repuesto        

 

la reputación     

 

el requesón       

 

el requisito        

 

la resaca            

de kater

resaltar 26         

opvallen; benadrukken

resbaladizo/a    

 

resbalar 26        

 

rescatar 26        

 

el rescate           

 

la reserva           

de reservering; het reservaat

reservado/a      

gereserveerd

reservar 26        

reserveren

resfriado/a        

verkouden

el resfriado        

de verkoudenheid

resfriarse 22     

 

el resguardo      

 

la residencia      

de woonplaats

residencial         

 

los residuos       

 

la resistencia     

 

resistente           

stevig

resistir 59          

 

resolver 34        

 

resolverse 34    

opgelost worden

respaldar 26      

 

el respaldo        

de rugleuning

respectivamente             

 

respetable         

 

respetar 26       

 

el respeto          

 

la respiración    

de ademhaling

respirar 26         

ademhalen

responder 9      

antwoorden

la responsabilidad           

de verantwoordelijkheid

responsable       

verantwoordelijk

la respuesta       

het antwoord

resquebrajarse 26          

 

la resta

 

restante             

 

restar 26            

 

la restauración 

 

el restaurante   

het restaurant

restaurar 26      

 

el resto

 

restregar 38      

 

la restricción     

 

el resultado

 

resultar 26

blijken

el resumen

 

resumir 59

 

retar 26

 

retirar 26

 

retorcer 7

 

retrasado/a

 

retrasar 26

 

el retraso

 

el retrato

 

el retrete

 

el retrovisor

 

el reúma

 

la reunión

 

reunir 47

 

revelar 26

 

reventar 40

 

el revés

de backhand

revisar 26

controleren

revisar 26 LAm.

zoeken

el/la revisor/a

de controleur

la revista

het tijdschrift

revoltoso/a

baanbrekend

la revolución

de revolutie

el/la revolucionario/a

de revolutionair

revolver 60

omkeren, omroeren; overhoop halen

el revólver

de revolver

revuelto/a

in de war

el rey

de koning

rezar 14

bidden

rico/a

rijk; lekker

ridículo/a

lachwekkend

el riel

het spoor

las riendas

de teugels

el riesgo

het risico

rígido/a

streng; stijf

riguroso/a

strikt, streng

el rímel

de mascara

el rincón

de hoek, het hoekje

el rinoceronte

de neushoorn

la riña

het gekibbel

el riñón

de nier

la riñonera

het buiktasje

el río

de rivier

la riqueza

de weelde, rijkdom

la risa

de lach

el ritmo

het ritme

el ritual

het ritueel

el/la rival

de concurrent

la rivalidad

de concurrentie

rizado/a

gekruld (haar)

rizar 14

verfrommelen

robar 26

stelen, roven

el roble

de eik

el robo

de diefstal, beroving

el robot

de robot

robusto/a

sterk

la roca

de rots

rociar 22

besproeien

el rock

de rockmuziek

la rodaja

het plakje

rodar 12

opnemen (van film)

rodear 26

omsingelen, omringen

la rodilla

de knie

rogar 29

bidden, smeken

rojo/a

rood

el rollo

de puinhoop; de ellende

la Roma

Rome

romano/a

Romeins

romántico/a

romantisch

el rombo

de ruit

el rompecabezas

de legpuzzel

romper 9

breken, scheuren

el ron

de rum

roncar 49

snurken

ronco/a

hees, schor

la ronda

de ronde

el ronquido

het gesnurk

la ropa

de kleren

rosa

roze

el rosado

de rosé

el rostro

het gezicht

roto/a

kapot, gebroken

la rotonda

de rotonde

el rotulador

de viltpen

rubio/a

blond

ruborizarse 14

blozen

rudimentario/a

primitief

la rueda

het wiel

rugir 17

brullen

el ruido

het lawaai

ruidoso/a

lawaaiering, luidruchtig

la ruina

de ruine

la Rumanía

Roemenië

rumano/a

Roemeens

el rumor

het gerucht, gefluister

rural

ruraal, plattelands-

la Rusia

Rusland

ruso/a

Russisch

la ruta

de route

la rutina

de routine

S

(naar boven)

Spaans Nederlands

el sábado

de zaterdag

la sábana

 

saber 48

weten; (iets) kunnen

sabio/a

wijs

el sabor

de smaak

sabroso/a

smaakvol

el sacacorchos

 

el sacapuntas

de puntenslijper

sacar 49

weghalen; (uit)halen; tevoorschijn halen

la sacarina

 

el sacerdote

de priester

el saco

 

el sacrificio

het offer

sacudir 59

 

sagrado/a

heilig

la sal

het zout

la sala

de ruimte, kamer

salado/a

gezouten, zout

el salario

 

la salchicha

 

el salchichón

de snijworst

el saldo

 

la salida

de uitgang, het vertrek

salir 50

uitgaan; vertrekken

la saliva

 

el salmón

 

el salón

de woonkamer

el salpicadero

 

salpicar 49

 

la salsa

de saus

el saltamontes

de sprinkhaan

saltar 26

springen

el salto

de sprong; de duik

la salud

de gezondheid

¡Salud!

Proost!

saludable

gezond

saludar 26

begroeten

el saludo

de groet

salvaje

wild

el salvapantallas

de screensaver

salvar 26

redden

el salvavidas

 

salvo

behalve

San

Sint

la sandalia

de sandaal

la sandía

de watermeloen

el sandwich

 

sangrar 26

bloeden

la sangre

het bloed

la sangría

de sangria (rode wijn met fruit)

la sanidad

de volksgezondheid

sano/a

gezond

santo/a

heilig

el sapo

de pad

el sarampión

de mazelen

sarcástico/a

 

la sardina

 

el sarpullido

de huiduitslag

la sartén

de koekenpan

el sastre

 

el satélite

de satelliet

la satisfacción

 

satisfacer 27

 

satisfecho/a

tevreden

la sauna

de sauna

sazonar 26

 

se

men, zich

ik weet

el secador

de haardroger

la secadora

 

secar 49

drogen

la sección

 

seco/a

droog

el/la secretario/a

de secretaris/esse

el secreto

het geheim

la secta

de sekte

el sector

de sector

la secuencia

 

secuestrar 26

 

el secuestro

 

secundario/a

 

la sed

de dorst

la seda

de zijde

el sedal

 

el sedante

 

la sede

het hoofdkantoor

sediento/a

dorstig

seguido/a

 

seguir 51

doorgaan (met), doorlopen; volgen

según

volgens

segundo/a

tweede

seguramente

(vast en) zeker

la seguridad

de veiligheid; de zekerheid

seguro

veilig; zeker

el seguro

de verzekering

seis

zes

seiscientos/as

zeshonderd

la selección

de selectie; het team

seleccionar 26

 

la selectividad

 

el sello

de postzegel

la selva

het woud

el semáforo

het verkeerslicht

la semana

de week

semanal

wekelijks

la semanita

het weekje

sembrar 40

 

el semicírculo

de halve cirkel

la semilla

het zaadje

el senado

de senaat

el/la senador/a

de senator

sencillamente

simpelweg

sencillo/a

eenvoudig, simpel

el senderismo

de wandelsport

el sendero

 

la sensación

 

sensacional

 

sensato

 

sensible

 

sentado/a

 

sentar 40

 

sentarse 40

gaan zitten

la sentencia

de zin

el sentido

 

sentimental

 

el sentimiento

het gevoel

sentir 52

spijten

sentirse 52

zich voelen

la señal

het teken

señalar 26

signaleren

el señor

de heer, meneer, man

la señora

de dame, mevrouw, vrouw

la señorita

de jongedame

separado/a

gescheiden

separar 26

scheiden, splitsen

el septiembre

september

séptimo/a

zevende

la sequía

de droogte

ser

zijn

la serie

 

serio/a

serieus, ernstig

el sermón

de preek

la serpiente

de slang

serrar 40

zagen

el srrucho

de zaag

el servicio

de dienst, service

la servilleta

de servet

servir 39

bedienen, opdienen

sesenta

zestig

la sesión

 

la seta

de paddenstoel

setecientos/as

zevenhonderd

setenta

zeventig

el seto

 

el seudónimo

 

severo/a

 

el sexo

 

sexto/a

zesde

sexual

 

la sexualidad

 

si

als, indien; of

ja

el sida

de aids

la sidra

de cider

siempre

altijd

siempre que

altijd als

la sierra

de zaag; de bergketen

la siesta

het middagslaapje

siete

zeven

las siglas

de afkorting

el siglo

de eeuw

el significado

de betekenis

significar 49

betekenen

significativo/a

 

el signo

het teken

siguiente

volgend

silbar 26

fluiten

el silbato

 

el silencio

de stilte

silencioso/a

stil

la silla

de stoel

el sillín

het zadel

el sillón

de fauteuil

la silueta

 

el símbolo

 

la simpatía

 

simpático/a

aardig, sympathiek

simple

 

simplemente

simpelweg, op een eenvoudige manier

simultáneo/a

 

sin

zonder

sin gas

zonder prik

sincero/a

eerlijk, oprecht

el sindicato

 

la sinfonía

 

singular

enkelvoud

siniestro/a

 

sino

maar, echter

sintético/a

 

el síntoma

het symptoom

siquiera

 

la sirena

de sirene; de zeemeermin

el/la serviente/a

 

el sistema

het systeem

el sitio

de plek

la situación

 

situado/a

gelegen

el sobaco

 

el soborno

 

sobrar 26

 

sobre

over

la sobredosis

de overdosis

sobrenatural

bovennatuurlijk

el sobresaliente

 

sobrevivir 59

 

el/la sobrino/a

de neef/nicht (kind van broer/zus)

sobrio

sober

social

sociaal

el socialismo

het socialismo

la sociedad

 

el/la socio/a

 

la sociología

 

el/la socorrista

 

el socorro

 

la soda

het koffiehuis

el sofá

de zitbank

el software

de software

la soja

de soja

el sol

de zon

solamente

alleen (maar), slechts

el soldado

de soldaat

soleado/a

zonnig

la soledad

de eenzaamheid

soler 34

 

solicitado/a

gezocht, gevraagd

solicitar 26

 

la solicitud

 

sólido/a

 

solitario/a

 

sollozar 14

 

solo/a

alleen, enige

sólo

alleen (maar), slechts

el solomillo

 

soltar 12

 

el/la soltero/a

 

la solución

 

solucionar 26

 

la sombra

de schaduw

el sombrero

de hoed

la sombrilla

de parasol

el somier

 

el somnífero

het slaapmiddel

el sonajero

 

sonar 12

klinken

el sondeo

 

el sonido

het geluid, de klank

sonreír 45

glimlachen

la sonrisa

de glimlach

sonrojarse 26

blozen

soñar (con) 12

dromen (over)

la sopa

de soep

la sopa de pescado

de vissoep

soplar 26

 

soportar 26

 

la soprano

 

sorber 9

 

sordo/a

doof

sordomudo/a

doof en dom

sorprendente

verrassend

sorprender 9

verrassen

la sorpresa

de verrassing

el sorteo

de loterijtrekking

la sortija

 

soso/a

flauw, zouteloos

la sospecha

de verdenking

sospechar 26

verdenken

el/la sospechoso/a

de verdachte

el sostén

de bh

sostener 54

 

el sota

 

el sótano

de kelder

su

zijn, haar, uw

suave

zacht

la subasta

de veiling

el/la subcampeón/ona

de opvolger (2e plaats)

dubdesarrollado/a

onderontwikkeld

el/la subdirector/a

 

la subida

de opkomst

subir 59

instappen; omhoog gaan, klimmen

el submarino

de onderzeeër

subrayar 26

onderstrepen

el subsidio

de subsidie

subterráneo/a

ondergronds

subtitulado/a

ondertiteld

el subtítulo

de ondertitel

subtropical

subtropsich

el suburbio

de buitenwijk

subvencionar 26

subsidiëren

suceder 9

gebeuren

el suceso

de gebeurtenis, het indicent

el suciedad

 

sucio/a

vies

la sucursal

 

la sudadera

 

la Sudáfrica

Zuid-Afrika

la Sudamérica

Zuid-Amerika

sudamericano/a

Zuid-Amerikaans

sudar 26

zweten

el sudeste

het zuidoosten

el sudoeste

het zuidwesten

el sudor

 

sudoroso/a

bezweet

la Suecia

Zweden

sueco/a

Zweeds

el/la suegro/a

de schoonvader/moeder

la suela

de zool

el sueldo

het salaris

el suelo

de vloer, grond

suelto/a

los

el suelto

de verandering

el sueño

de slaap; de droom

el suerte

het geluk

el suéter

 

suficiente

 

suficientemente

 

sufrir 59

lijden, ondervinden

la sugurencia

het voorstel

sugerir 52

voorstellen

el suicidio

de zelfmoord

la Suiza

Zwitserland

suizo/a

Zwitsers

el sujetador

de bh

sujetar 26

 

el sujeto

 

la suma

 

sumar 26

opsommen

suministrar 26

 

el súper

de supermarkt

super-

super-

superar 26

overtreffen

la superficie

het oppervlak

superior

bovenste

el supermercado

de supermarkt

el/la superviviente

de overlevende

el suplemento

 

suplicar 49

 

suponer 42

veronderstellen

suprimir 59

verwijderen

el sur

het zuiden

sureño/a

zuidelijk

el sureste

het zuidoosten

el surf

het surfen

surfear 26

surfen

surgir 17

opkomen

el suroeste

het zuidwesten

surrealista

surrealistisch

el surtidor

de benzinepomp

la suscripción

 

suspender 9

 

el suspenso LAm.

 

suspicaz

verdacht

suspirar 26

zuchten

la sustancia

de stof

sustituir 11

vervangen; invallen

el/la sustituto/a

de vervanging

el susto

 

susurrar 26

fluisteren

sutil

 

suyo/a

zijn, haar, hun, uw

T

(naar boven)

Spaans Nederlands

el tabaco

de tabak; de sigaretten

la tabierna

de bar

la tabla

de tafel

el tablao

het flamencopodium

el tablero

het bord

la tableta

de pil; de reep

el tablón

de plank

el tabú

de taboe

el taburete

de kruk, het bankje

tacaño/a

gierig

tachar

schrappen, wegstrepen

el taco

de plug

el tacón

de hak (van schoen)

el tacto

de tastzin

la tajada

de plak; de snee

tal

zulk, zo

la taladradora

de boormachine

taladrar

boren; openprikken

el taladro

de boor

el talento

de aanleg, gave

la talla

de maat; het postuur

los tallarines

de noedels

el taller

de workshop

el tallo

de stengel

el talón

de hiel

el tamaño

het formaat, de omvang

tambalearse 26

wankelen, waggelen

también

ook; bovendien, tevens

el tamiz

de zeef

tampoco

ook niet

el tampón

de tampon

tan

zo, zo erg

tantear 26

testen, proberen

tanto/a

zo veel

la tapa

het borrelhapje

la tapadera

de deksel

tapar 26

bedekken

el tapeo

het rondje langs tapasbars

la tapia

de muur

la tapicería

het behang

tapizar 14

behangen

el tapón

de dop, kurk

la taquigrafía

het snelschrift

la taquilla

het loket, de kassa

tararear 26

neuriën

tardar 26

lang duren, treuzelen

la tarde

de middag, avond

tarde

laat

la tarea

de taak

la tarifa

het tarief

la tarima

het podium

la tarjeta

de kaart

la tarjeta de crédito

de creditcard

la tarjeta de cumpleaños

de verjaardagskaart

el tarro

de pot

la tarta

de taart

tartamudear 26

stotteren

la tasa

de belasting, heffing

tasar 26

taxeren

la tasca

het café

el tata LAm.

papa

el tatuaje

de tattoeage

tatuar 2

tatoeëren

el taxi

de taxi

el taxímetro

de taximeter

el/la taxista

de taxichauffeur

la taza

de mok, het kopje

el tazón

de schaal, kom

te

jou, je

el té

de thee

el teatro

het theater

el tebeo

het stripboek

el techo

het dak

la tecla

de toets

el teclado

het toetsenbord

teclear 26

typen

la técnica

de techniek; de technologie

el/la técnico/a

de technicus

la tecnología

de technologie

tecnológico/a

technologisch

la teja

de dakpan

el tajado

het dak

los tejanos

de jeans

tejer 9

breien, weven

el tejido

het weefsel

la tela

de stof; het laken, de doek

la telaraña

het spinnenweb

la tele

de tv

el telediario

het nieuws

teledirigido/a

op afstand bediend

el teleférico

de kabelbaan

telefonear 26

opbellen, telefoneren

telefónico/a

telefonisch

el/la telefonista

de telefonist

el teléfono

de telefoon

el telegrama

het telegram

la telenovela

de tv-soap

la telepatía

de telepathie

el telescopio

de telescoop

el telesilla

de stoeltjeslift

el/la telespectador/a

de tv-kijker

el telesquí

de skilift

el teletexto

de teletext

las televentas

de telesales

televisar 26

een programma uitzenden

la televisión

de televisie

el televisor

de televisie

el telón

het gordijn

el tema

het thema, onderwerp

temblar 40

rillen, bibberen

el temblor de tierra

de aardbeving

tembloroso/a

rillend, bibberend

temer 9

vrezen

temible

vreselijk

el temor

de vrees

el temperamento

de gemoedsaard, het temperament

la temperatura

de temperatuur

la tempestad

de storm

templado/a

gematigd

el templo

de tempel

la temporada

het seizoen

temporal

tijdelijk, voorlopig

temporario/a LAm.

tijdelijk

temprano/a

vroeg

el tendedero

het droogrek

la tendencia

de neiging, trend

tender 21

neigen tot; strekken; uithangen

el/la tendero/a

de kruidenier

el tendón

de pees

el tenedor

de vork

tener 54

hebben

tener ganas de

zin hebben om

tener que

moeten

el tenis

het tennis, tennissen

el/la tenista

de tennisspeler

tensar 26

(op)spannen, samentrekken

la tensión

de spanning; de bloeddruk

tenso/a

gespannen

la tentación

de verleiding

tentar 40

verleiden

la tentativa

het probeersel

el tentempié

het tussendoortje

tenue

mild, mat; zwak

teñir 46

verven, schilderen

la teoría

de theorie

teórico/a

theoretisch

terapéutico/a

therapeutisch

la terapia

de behandeling, therapie

tercero/a

derde

el terciopelo

het fluweel

terco/a

eigenwijs, koppig

tergiversar 26

verdraaien (van woorden)

terminal

laatste

el terminal

het eindstation

terminante

bepaald

terminantemente

bepaald

terminar 26

klaar zijn, (be)eindigen

el término

het termijn

la termita

de termiet

el termómetro

de thermometer

el termostato

de thermostaat

la ternera

het kalfsvlees

el/la ternero/a

het kalf

la ternura

de tederheid

la terracita

het terrasje

la terraza

het terras

el terremoto

de aardbeving

el terreno

het terrein

terrestre

aards-, terrestrisch

terrible

verschrikkelijk

el territorio

het territorium

el terrón

het klontje; de kluit

el terror

de terreur

el terrorismo

het terrorismo

el/la terrorista

de terrorist

la tesis

het proefschrift

el tesón

het doorzettingsvermogen

el/la tesorero/a

de penningmeester

el tesoro

de schat

el test

de proef, test

el testamento

het testament

testarudo/a

hardnekkig

el/la testigo

de getuige

el testimonio

de getuigenis; het bewijs

el tétanos

de tetanus

la tetera

de theepot

la tetina

de speen

textear 26

sms’en

el texto

de tekst

la textura

de textuur

la tez

de huidskleur

ti

je, jou

tibio/a

lauw

el tiburón

de haai

el tiempo

de tijd; het weer

la tienda

de winkel, zaak

tierno/a

week, zacht, mals

la tierra

het land; de grond

tieso/a

stijf, gespannen

el tiesto

de bloempot

el tigre

de tijger

las tijeras

de schaar

timar 26

afzetten, belazeren

el timbre

de bel

la timidez

de verlegenheid

tímido/a

verlegen

el timo

de thymus

la tinta

de inkt

el tinte

de verf

el tinto

de rode wijn

la tintorería

de drogerij, stomerij

el/la tío/a

de oom/tante

el tiovivo

de draaimolen

típicamente

meestal, typisch

típico/a

kenmerkend, typisch

el tipo

het type; het figuur

tirado/a inf.

erg makkelijk

el/la tirano/a

de tyrant

tirante

strak

tirar 26

gooien, weggooien

la tirita

de pleister

tiritar 26

bibberen

el tiro

het schot

titubear 26

twijfelen

titulado/a

gekwalificeerd

titular 26

noemen, titel geven

el titulo

de titel; de kwalificatie

la tiza

het krijtje

la toalla

de handdoek

el tobillo

de enkel

el tocadiscos

de platenspeler

el tocador

de kaptafel

tocar 49

aanraken; betreffen; bespelen (instrument)

todavía

nog (steeds)

todo

alles

todo/a

alle

todo/a el/la

de/het hele

todos

iedereen, allemaal

todos los días

iedere dag, alle dagen

el toldo

de luifel

tolerar 26

verdragen, tolereren

tomar 26

nemen (eten of drinken)

el tomate

de tomaat

el tomillo

de tijm

el tomo

het boekdeel

el tónica

de tonic

el tono

de toon, klank

la tontería

de stommiteit

tonto/a

stom, dom

toparse con … 26

toevallig botsen op …

el tópico

het cliché

el topo

de mol

la torcedura

de verzwikking

torcer 7

buigen; verwringen

torcido/a

krom, verwrongen

torear 26

plagen

el toreo

het stierenvechten

el/la torero/a

de stierenvechter

la tormenta

de storm

el torneo

het toernooi

el tornillo

de schroef

el toro

de stier

la toronja LAm.

de grapefruit

torpe

onhandig

la torre

de toren

la torta

de cake/koek

la torta LAm.

de taart

la tortilla

de omelet met ui en aardappel; het maïspannenkoekje

la tortuga

de schildpad

torturar 26

martelen

la tos

de hoest; het hoesten

toser 9

hoesten

la tostada

de snee toast

tostador

broodrooster

total

totaal, alles bij elkaar

totalmente

helemaal; geheel en al

tóxico/a

giftig

el/la toxicómano/a

de drugsverslaafde

el/la trabajador/a

de werker

trabajador

hardwerkend

trabajar 26

werken

el trabajo

het werk

el tractor

de tractor

la tradición

de traditie

tradicional

traditioneel

la traducción

de vertaling

traducir 10

vertalen

el/la traductor/a

de vertaler

traer 55

meebrengen; meenemen; halen

el/la traficante

de dealer

el tráfico

het verkeer

el accidente de tráfico

het verkeersongeluk

tragar 38

(door)slikken

la tragedia

de tragedie

trágico/a

tragisch

el trago

het drankje; de teug

la traición

het veraad

traicionar 26

verraden

traicionero/a

verradelijk

el/la traidor/a

de verrader

el traje

het pak; de jurk

el tramo

de sector

la trampa

de valstrik

el trampolín

de trampoline

tranquilamente

op een rustige manier

la tranquilidad

de rust

tranquilizar 14

kalmeren, tot rust brengen

tranquilo/a

rustig

transatlántico/a

trans-Atlantisch

el transbordador

de ferry

el transbordo

het overstappen

transcurrir 59

verstrijken

el/la transeúnte

de voorbijganger

la transferencia

de overboeking

la transformación

de verandering, transformatie

transformar 26

veranderen, transformeren

la transfusión

de transfusie

transgénico/a

genetisch gemanipuleerd

el tránsito

het verkeer

la transmisión

de overdracht; de uitzending

transmitir 59

overbrengen; uitzenden

transparente

doorzichtig

transportar 26

vervoeren, dragen

el transporte

het vervoersmiddel

el transporte público

het openbaar vervoer

el tranvía

de tram

el trapo

de doek, lap

la tráquea

de luchtpijp

tras

achterna, na

trasero/a

achterste

trasladar 26

verplaatsen; overplaatsen

el traslado

de verplaatsing; de overplaatsing

trasnochar 26

nachtbraken

el trasplante

de transplantatie

el trastero

de opslagruimte, berging

el trastorno

de stoornis

el tratado

het verdrag

el tratamiento

de behandeling

tratar 26

behandelen, aanpakken

tratar de tú

tutoyeren

el trato

de deal

el trauma

het trauma

la travesía

de overtocht; de dwarsstraat

la travesura

het kattenkwaad

travieso/a

ondeugend

el trayecto

het traject

trazar 14

schetsen, ontwerpen

trece

dertien

treinta

dertig

el tren

de trein

la trenza

de vlecht

trepar 26

klauteren

tres

drie

trescientos/as

driehonderd

el triángulo

de driehoek

la tribu

de (volk)stam

tridimensional

driedimensioneel

el trigo

de tarwe

trimestral

kwartjaarlijks

el trimestre

het trimester

trinchar 26

voorsnijden

el trineo

de slee

el trío

het trio, drietal

la tripa

het ingewand

triplicar 49

verdrievoudigen

triste

treurig, verdrietig

la tristeza

het verdriet

triturar 26

verpulveren

triunfar 26

triomferen

el triunfo

de triomf

trocear 26

in stukjes snijden

la trompa

de slurf

la trompeta

de trompet

tronar 12

donderen

el tronco

de romp; de boomstam

el trono

de troon

tropezar 20

struikelen

el tropezón

de struikeling

tropical

tropisch

trotar 26

draven

el trozo

het stuk

la trucha

de forel

el truco

de truc

el trueno

de donder

tu

jouw

jij

tú también

jij ook

el tubo

de pijp

el tuétano

het merg, beenmerg

el tulipán

de tulp

la tumba

het graf, de tombe

tumbado/a

liggend

tumbar 26

neerslaan

la tumbona

de ligstoel

el tumor

het gezwel, de tumor

el túnel

de tunnel

el Túnez

Tunesië

turbio/a

troebel, ondoorzichtig

turco/a

Turks

el turismo

het toerisme

el/la turista

de toerist

turístico/a

toeristisch

turnarse 26

rouleren

el turno

de beurt; de shift

turquesa

turquoise

la Turquía

Turkije

el turrón

de noga

tutear 26

tutoyeren, goed kennen

el/la tutor/a

de leraar; de voogd

tuyo/a

van jou

U

(naar boven)

Spaans Nederlands
u of (voor o- of ho-)
ubicado/a gesitueerd
la UE de EU
uf oef, pff
la úlcera de zweer
últimamente onlangs, de laatste tijd
último/a laatste
ultrasónico/a ultranonisch
ultravioleta ultraviolet
un/una een
un momento een moment
un par een paar
un par de veces een paar keer
un poco een beetje
un poquito een klein beetje
la una één uur
unánime unaniem
undécimo/a elfde
únicamente alleen maar, slechts
único/a enig(e), uniek
la unidad de eenheid; het hoofdstuk
la unidad de cuidados intensivos de intensive care unit
unido/a verbonden, saamhorig
uniforme gelijk, eenvormig
la Unión Europea de Europese Unie
unir 59 verbinden, koppelen
universal universeel
la universidad de universiteit
el/la universitario/a de student (universiteit)
universitario/a universitair
el uno één
uno/una, unos/unas een, enkele, een paar
unos/as een paar
untar insmeren
la uña de nagel; de klauw
la urbanización de bebouwing, verstedelijking
la urgencia de nood, urgentie
urgente dringend, spoedeisend
el Uruguay Uruguay
uruguayo/a Uruguayaans
usado/a tweedehands
usar 1 gebruiken
el uso het gebruik
usted u (enkelvoud)
ustedes u (meervoud)
usual normaal, gebruikelijk
el/la usario/a de gebruiker
el utensilio de machine
útil nuttig, bruikbaar
utilizar 14 benutten, gebruiken
la uva de druif

V

(naar boven)

Spaans Nederlands

la vaca

de koe; het rundvlees

las vacaciones

de vakantie

vaciar (i/í)

leegmaken

vacilar

twijfelen

vacío/a

leeg

el vacío

de leegte, het vacuüm

la vacuna

het vaccin

vacunar

vaccineren

el/la vagabundo/a

de zwerver

vagar

rondzwerven, dwalen

vago/a

lui

el vagón

de wagon, het rijtuig

el vaho

de stoom

la vainilla

de vanille

la vajilla

de afwas

el vale

de voucher

vale

oké, goed, afgesproken

la valentía

de dapperheid, het lef

valer irr.

kosten, waard zijn

válido

geldig, gegrond

valiente

dapper

valioso

waardevol

la valla

het hek

el valle

de vallei

el valor

de waarde; de moed

valorar

waarderen; begroten

la válvula

de klep, het ventiel

el/la vampiro/a

de vampier

el vandalismo

het vandalisme

la vanguardia

de voorhoede

la vanidad

de ijdelheid

vanidoso/a

ijdel, verwaand

el vapor

de stoom

el vaquero

de cowboy, veedrijver

variable

variabel, wisselend

variar (i/í)

veranderen, afwisselen

la varicela

de waterpokken

la variedad

de afwisseling

la varilla

?

varias veces

meerdere keren

varios/as

verscheidene

el variz

de spatader

varón

mannelijk

vasco/a

Baskisch

el vaso

het glas

el váter inf.

het toilet

vaya!

ach! / o jee! / nee toch!

el vecindario

de buurt

el/la vecino/a

de buurman/buurvrouw

la vegetación

de begroeiing

vegetal

plantaardig

el/la vegetariano/a

de vegetariër

el vehículo

het voertuig

veinte

twintig

la vejez

de ouderdom

la vejiga

de blaas

la vela

het zeil; de kaars

el vello

het haar

la velocidad

de snelheid

la vena

de ader, vene

el/la vencedor/a

de overwinnaar

vencer

overwinnen, verlopen

la venda

de zwachtel, blinddoek

vendar

zwachtelen, verbinden

el/la vendedor/a

de verkoper

vender

verkopen

la vendimia

de wijnoogst

el veneno

het vergif

venenoso

giftig

venezolano/a

Venezualaans

la Venezuela

Venezuala

la venganza

de wraak

vengarse

wraak nemen

venga

kom! / vooruit!

la venida

de aankomst

venir irr.

(mee)komen

la venta

de verkoop

la ventaja

het voordeel

la ventana

het raam

la ventanilla

het raampje

la ventilación

de ventilatie

ventilar

ventileren

la ventisca

de valwind, blizzard

ver irr.

zien; kijken

veranear

de zomervakantie doorbrengen

el verano

de zomer

veraz

eerlijk

la verbena

het dorpsfeest, de kermis

el verbo

het werkwoord

la verdad

de waarheid

verdadero/a

waar, echt

verde

groen

la verdulería

de groentewinkel

la verdura

de groente

vergonzoso

verlegen

la vergüenza

de schaamte

verificar

controleren

la verruga

de wrat

la versión

de versie

el verso

het gedicht; de regel

la vértebra

de wervel

verter [e/i]

schenken; lozen

vertical

verticaal

el vértigo

de duizeligheid

verspertino/a

avond-

el vestíbulo

de hal, foyer

el vestido

de jurk

vestir 39

aankleden, dragen

el vestuario

de garderobe

el/la veterinario/a

de dierenarts

la vez

de keer

la vía

het spoor, het baan

viajar

reizen

el viaje

de reis

el/la viajero/a

de reiziger; de passagier

la víbora

de adder

la vibración

de trilling

vibrar

trillen

el/la vicepresidente/a

de vicepresident, voorzitter

viciarse

verwaarlozen

el vicio

de slechte gewoonte

la víctima

het slachtoffer

la victoria

de overwinning

la vid

de wijnstok

la vida

het leven

el vídeo

de videorecorder; de video

la videocámara

de videocamera

el videojuego

het videospel

la videollamada

de videocall

la vidriera

het glasinloodraam

el vidrio

het glas, raam

el/la viejo/a

de oudere

viejo/a

oud

el viento

de wind

el vientre

de buik

el viernes

vrijdag

la viga

de (draag)balk

la vigilancia

de bewaking, het toezicht

vigilar

bewaken, opletten

el VIH

HIV-virus

el vinagre

de azijn

el vínculo

de link, verbinding

el vino

de wijn

la viña

de wijngaard

la violación

de verkrachting, schending

violar

verkrachten, schenden

la violencia

het geweld

violento/a

gewelddadig

violeta

paars

el violín

de viool

la virgen

de maagd

la virtud

de deugd

la viruela

de pokken

el virus

het virus

la visa LAm.

het visum

la visera

het vizier

la visibilidad

de zichtbaarheid

visible

zichtbaar

el visillo

de vitrage

la visión

het overzicht, de visie

la visita

het bezoek, de bezichtiging

el/la visitante

de bezoeker

visitar

bezoeken, bezichtigen

la víspera

de vooravond

la vista

het zien; het uitzicht

vital

levendig

la vitalidad

de levenskracht

la vitamina

de vitamine

vitorear

toejuichen

el/la viudo/a

de weduwnaar/weduwe

el vivero

de broedplaats

la vivienda

de woning

vivir

leven; wonen

vivo

levend, opgewekt

el vocabulario

de woordenschat

el vodka

de vodka

el volante

het stuurwiel

volar [o/ue]

vliegen

el volcán

de vulkaan

volcar [o/ue]

vallen, kantelen, omkeren

el voleibol

het volleyballen

el voltaje

het voltage

la voltereta

de salto

el volumen

het volume

la voluntad

de wil, wens

el/la voluntario/a

de vrijwilliger

volver [o/ue]

teruggaan, terugkeren

vomitar

overgeven

vosotros/as

jullie

votar

stemmen

la voz

de stem

el vuelo

de vlucht

el vuelo directo

de rechtstreekse vlucht

la vuelta

de terugkeer; de verandering

vuestro/a

jullie

W

(naar boven)

Spaans Nederlands
el wáter inf.

het toilet

la web

de webpagina, het internet

el western

de western

el whisky

de whisky

el wifi

de wifi

el windsurf

de surfplank; het windsurfen

X

(naar boven)

Hier zijn geen woorden die met deze letter beginnen.

Y

(naar boven)

Spaans Nederlands
y

en

ya

al

el yate

het zeiljacht

la yema

de vingertop; het eigeel

el yerno

de schoonzoon

el yeso

het gips, gietsel

yo

ik

el yoga

de yoga

el yogur

de yogurt

Z

(naar boven)

Spaans Nederlands
la zanahoria de wortel
el zancudo LAm. de mug
la zanja de sloot, kloof
la zapatería de schoenenwinkel
el/la zapatero/a de schoenmaker
la zapatilla de sportschoen
el zapato de schoen
la zarza de braam
el zócalo LAm. het stadsplein
el zodíaco de dierenriem
la zona de wijk, omgeving, zone
el zoo de dierentuin
el zorro de vos
zumbar zoemen
el zumo het vruchtensap
el zumo de naranja het sinasappelsap
zurcir verstellen
zurdo/a linkshandig
zurrar iemand toetakelen, afranselen

Afkortingen

(naar boven)

Spaans Nederlands

apdo.

= apartado de correos

ATS

= ayudante técnico sanitario

Avda.

= Avenida

C/

= calle (straat)

P.D.

= posdata (P.S.)

p.ej.

= por ejemplo (bijvoorbeeld)

ptas.

= pesetas

s/n = sin número (zonder huisnummer)

Sr.

= señor

Sra.

= señora

Sres.

= señores

Srta.

= señorita

tel.

= teléfono (telefoon)

Ud.

= usted

Uds.

= ustedes

Vd.

= usted

Vds.

= ustedes


Betekenis afkortingen

LAm. = Latijns-Amerikaans Spaans
ZAm. = Zuid-Amerikaans Spaans
RP = Río Plata Spaans
Ec. = Ecuador Spaans
Mex. = Mexico Spaans
inf. = informeel
irr. = onregelmatig werkwoord

9 = comer 26 = 1 = hablar 59 = vivir 12 = contar (o/ue) 32 = llover (o/ue) 34 = mover (o/ue) 60 = volver (o/ue) 41 = poder (o/ue) (o/u) 18 = dormir (o/ue) (o/u) 33 = morir (o/ue) (o/u) 04 = almorzar (o/ue) (z/c) 07 = cocer (o/ue) (c/z) 37 = oler (o/hue) 39 = pedir (e/i) 19 = elegir (e/i) (g/j) 51 = seguir (e/i) (gu/g) 40 = pensar (e/ie) 21 =entender (e/ie) 52 = sentir (e/ie) 20 = empezar (e/ie) (z/c) 35 = negar (e/ie) (g/gu) 03 = adquirir (i/ie) 29 = jugar (u/ue) 02 = actuar (u/ú) 05 = andar (uv) 06 = caer 08 = coger (g/j) 10 = conducir 11 = construir (y) 13 = crecer 14 = cruzar (z/c) 15 = dar 16 = (decir) 17 = dirigir (g/j) 22 = enviar (i/í) 23 = estar 24 = freír ( 25 = haber 27 = hacer 28 = ir 30 = lavarse 31 = leer 36 = oír 38 = pagar (g/gu) 42 = poner 43 = prohibir (i/í) 44 = querer 45 = reír 46 = gruñir 47 = reunir (u/ú) 48 = saber 49 = sacar (c/qu) 50 = salir 53 = ser 54 = tener 55 = traer 56 = valer 57 = venir 58 = ver